1947 – Van Müller Lehning de synagoge te Strijen gekocht

Facebooktwitter

Terug naar de indexpaginaUitleg over tribunaalverslagen in de krant

H. Dalm te Strijen

Aanklacht 26 maart 1947

H. Dalm, veehandelaar te Strijen, werd ervan beschuldigd, dat hij: in 1942 sympathiseerend lid en later lid van de N.S.B. is geweest en van die instelling vergaderingen en een landdag te Rolde had bezocht; in Jan. ’43 buurtschapshoofd werd van den Nederlandschen Volksdienst; actief medewerker geweest zou zijn van de W.H.N.; lid is geweest van het Economisch Front; in dienst geweest is van de Landwacht Nederland, waarvan hij de uniform droeg met den rooden band om den arm waarop „Landwacht Nederland” terwijl hij gewapend geweest zou zijn met een dubbelloops jachtgeweer; een Landwachterscursus te Wassenaar gevolgd zou hebben en deelgenomen zou hebben aan een razzia op radio’s en onderduikers; paarden van de Duitschers zou hebben opgekocht en deze weer zou hebben verkocht voor zeer hooge prijzen aan burgers; in 1943 van Müller Lehning voor f 1125.- de synagoge te Strijen had gekocht; tegen Duitschers, wijzende op Hannewijk, gezegd zou hebben: „Daar gaat die Duitsche vijand, die Engelsche vriend” en tegen zekeren Van den Honaard zich uitgelaten zou hebben over Hannewijk als zou deze een „donderhond” zijn, „een prediker van hoeken en holen, dien hij zou pesten tot hij uit den hoek zou komen” enz. Besch. verklaarde slechts eenmaal als Landwachter op patrouille te zijn ge-weest. Hij was toen gedwongen geweest mee te gaan. Toen hadden zij echter geen onderduikers opgebracht, maar wel een radio gevonden. Naar Wassenaar zou hij eveneens slechts eenmaal geweest zijn en wel op een Zondag, toen hij een vrijkaartje gekregen had. Als noodslachter kreeg hij de paarden, die een ongeluk hadden gehad, toegewezen en toen de Duitschers op Strijen lagen kwam zooiets nogal eens voor. Hij had aan dat vleesch aardig verdiend, pl.m. f 35.000.-. Slechts éénmaal had hij paarden verkocht. Toen hadden besch. en zijn broer er twee toegewezen gekregen, volgens besch.’s’ verhaal, maar zij hadden de dieren niet noodig en ze verkochten ze aan burgers. De synagoge, zoo vervolgde besch., heb ik samen met Van der Giesen gekocht. Die trok zich echter van den koop terug. Ik heb het gebouw toen weer verkocht maar den tuin hield en onderhield ik. Toen de voorz. besch. erop wees, dat er toch eigenlijk iets verkeerds was in het koopen van Jodengoederen, merkte deze op: „maar er waren toch geen joden”. Ook van een abnormalen koop wilde Dalm niets hooren. Betreffende de beschuldiging over de uitlatingen ten aanzien van Hannewijk zei besch., nooit eenige opmerking in dien zin gemaakt te hebben. Getuige Hannewijk, inspecteur van den Raad van Arbeid te Strijen, verklaarde echter onder eede genoemde woorden door Dalm geuit, zelf te hebben gehoord en ook getuige Van den Hoonaard, landarbeider te Strijen, verklaarde, dat beschuldigde de in de beschuldiging genoemde woorden tot hem had gesproken toen hij niet hem naar ’t dorp reed. Van den H. had daarop direct H. in kennis gesteld van het voorgevallene. Dalm zou ook nog gezegd hebben dat hij er wel voor zou zorgen dat H. in Vught terecht kwam. Alle getuigenverklaringen ten spijt bleef besch. ontkennen. De verdediger, Mr. Van Tricht, voerde aan dat besch. niet een pur sang N.S.B.-er geweest was. Hij wilde vooruit komen en vond het N.S.B.-lidmaatschap daartoe een gemakkelijk middel. Uit volle overtuiging had hij zich dus niet aangesloten en gevaarlijk zou besch. daarom nu niet meer zijn. Dat besch. niet zoo’n „volbloed” was bleek wel daaruit dat hij in beginsel geweigerd had de landwachterscursus te volgen en bij een razzia niet mee naar binnen wilde gaan, maar buiten bleef staan. De raadsman legde van verschillende personen verklaringen over, waarin stond, dat besch. weliswaar een felle natuur had, maar een eerlijk man was. Volgens verklaringen zou hij verschillende onderduikers uit de handen der Duitschers gehouden hebben. Over het koopen van Jodengoederen dacht mr. Van Tricht blijkbaar anders dan het tribunaal, te oordeelen naar mr. De Jong’s uitlatingen. Het waren immers geen goederen die besch. had opgegeten of verbruikt? vond pleiter, maar juist een gebouw en een tuin, die gebruikt was door besch., die ook wel wist, dat hij deze goederen ééns weer zou moeten teruggeven. Spr. merkte voorts op dat besch. de goederen niet vernield had, of laten verwaarloozen, doch ze had onderhouden, ‘zoodat ze bij de bevrijding in een zeer goeden staat verkeerden. De raadsman vond niets onaangenamer, zoo hij zeide, dan getuigen, vooral als deze dan nog verklaringen afleggen welker inhoud de besch. meent te moeten ontkennen, waardoor er natuurlijk aan één van beide zijden sprake moet zijn van een onwaarheid, op z’n zachtst uitgedrukt van een vergissing, aldus verdediger. Meestal, zoo vervolgde spr., is er bij dergelijke gevallen wel een grond van waarheid maar zijn de voorvallen, doordat er veel over gepraat is, nogal opgeblazen en aangedikt. Wanneer beschuldigde echter uitdrukkingen gebezigd zou hebben, als besch. halsstarrig ontkend, zou dan daardoor, zoo vroeg mr. Van Tricht zich af, werkelijk zóóveel hulp of steun aan den vijand en diens handlangers verleend zijn? Wanneer besch., vond de raadsman, kwaads in den zin gehad zou hebben en H. „weg” had willen hebben, dan zou het voor besch. toch wel een kleine moeite geweest zijn om de Duitschers, die veelvuldig bij besch. over den vloer kwamen, opmerkzaam te maken op H., wat voor dezen de onaangenaamste gevolgen had kunnen hebben. Alles is niet zoo gegaan, ging pleiter voort, en spr. meende als zijn meening te mogen uiten, dat M. Hannewijk zich vergist heeft en dat de wensch de vader van de gedachte geweest is.





Uitspraak 9 april 1947

H. Dalm, veehandelaar te Strijen: interneering van 3 jaar met aftrek van voorarrest, verbeurdverklaring van het vermogen tot een bedrag van f. 20.000.- ontzetting uit de beide kiesrechten, alsmede het recht ambten te bekleeden en bij de gewapende macht te dienen. 

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *