1947 – Overval op het postkantoor

Facebooktwitter

Terug naar de indexpaginaUitleg over tribunaalverslagen in de krant

J. Fransen te Oud-Beijerland

Aanklacht en uitspraak 14 februari 1947

J. Fransen, voormalig directeur van het postkantoor te Oud-Beijerland, werd ten laste gelegd, dat hij in den nacht van 20 op 21 Januari 1944 bij een overval op het postkantoor aldaar, de politie een brief ter hand gesteld zou hebben, die geadresseerd was aan A.S. Andeweg. Verder zou hij dien nacht tegen een N.S.B.-politie-luitenant gezegd hebben : „Het verrekt hier van de onderduikers”, althans woorden van een dergelijke strekking, terwijl de beschuldiging tenslotte nog verluidde, dat hij foto’s van ondergedoken P.T.T.-personeel, van welke volgens zijn meening enkelen medeplichtig aan den overval geweest waren, aan den N.S.B. politie-luitenant van der Tholen zou hebben gegeven. De heer Fransen begon met op te merken, dat hij door dien overval een innerlijken schok gekregen had, waardoor het hem onmogelijk was alles precies te reconstrueeren. Hij wist echter nog hoe hij een tumult hoorde in het kantoor en dat hij zich daarheen begaf door de gang waar het personeel een kapstok gebruikte Er was licht aan in die gang en zoo vertelde besch. verder, ik zag er een brief op den grond liggen. Méér wist besch, zich van den brief niet meer te herinneren, maar hij vertelde, nog vaag het gevoel te hebben, dat er toen ook een politie-agent aanwezig was in de gang. Besch. was, zoo hij zeide, verschillend malen uit het kantoor gestuurd door de politie, maar was telkens weer gaan kijken. Later had de brief, zoo beweerde besch. verder, een groote rol gespeeld in zijn gedachtenleven in verband niet den overval. Besch. zeide zich telkens opnieuw afgevraagd te hebben wat er toch gebeurd was op het kantoor, waar hij de leidende persoon was En, meende hij, het was toch niet zoo iets bijzonders in de gang iets te vinden. Het was al eens meer voorgekomen, dat hij daar een handschoen, zakdoekje of i.d. gevonden had. Besch. had een rapport op moeten maken om het groote kastekort, ontstaan doordat de overvallers ook geld meegenomen hadden, te verantwoorden tegenover zijn hoofdbestuur. Hij had, zoo hij zeide, dit rapport zeer nauwkeurig samengesteld, geheel aan de hand van de aan hem bekende feiten en deze waren o.a., dat Andeweg lang niet zoo overstuur was als het andere gebonden personeel, toen bescrh. het kantoor binnenkwam, en Andeweg had, zoo zeide besch. de voordeur opengelaten. Of Andeweg dit met opzet gedaan had, was een vraag, waarmede de politie zich had bezig te houden, dat was niet besch.’s taak, zoo hij zeide. De voorz. mr. De Jong, maakte besch. er echter op attent, dat in het rapport aan het hoofdbestuur de zinsnede voorkwam : ,Andeweg wordt er sterk van verdacht in den onderwerpelijken overval ook de hand te hebben gehad”. Besch. zeide, dat dit rapport echter van 12 Februari was en dat de politie toen al lang zoover gevorderd was met haar onderzoek. Besch. merkte op, dat ‘t hoofdbestuur zich blijkbaar nog niet volledig genoeg ingelicht achtte, want enkele dagen later werden hem (besch.) nog verschillende vragen gesteld. Toen besch. het rapport opmaakte, was hij zich geheel niet bewust eenig verraad te kunnen plegen, daar hij ervan overtuigd was, dat dit een roofoverval was, daar er een belangrijke som gelds was meegenomen. Hij geloofde niet aan een door de ondergrondsche georganiseerden overval, aldus besch. De eenige overval, die toendertijd gepleegd was, was geweest te Purmerend, voor zoover besch. bekend was, en daar was geen geld gestolen. Het gestolen geld, aldus spr., was voor mij de grootste zorg, en spr. maakte de vergelijking „wat de kas voor mij is, is een kind voor de moeder” en nogmaals verklaarde besch uitdrukkelijk, dat het rapport aan het hoofdbestuur geen enkele andere bedoeling had dan de gaping in de kas te verantwoorden. Op een vraag van den voorz. hoe besch. gereageerd had toen hij die gebonden menschen zag, antwoordde besch. dat hij eerst meende, dat het personeel een grap met hem uithaalde; hij kon toen niet in een werkelijken overval gelooven zoo zeide hij. Hij vernam, dat er aangeteekende stukken meegenomen waren, doch, aldus verklaarde besch., toen hij zag, dat er geld uit de kas was, was hij erg geschrokken. Er was toen alarm gemaakt en kort daarop wemelde het van politie-agenten in het kantoor, aldus besch. Er was hem, zoo vertelde hij verder. gevraagd of Andeweg wel eens aangeteekende brieven ontving en daar dit direct te controleeren was had besch, de(n) vrager(s) naar de administratie verwezen. Toen de voorz. besch. vroeg of hij nooit een vermoeden had gehad, dat Andeweg illegaal werkte antwoordde besch. daarop ontkennend: „Als ambtenaar was hij niet een van de pientersten”. Verder vond besch., zoo hij zeide, Andeweg bij het onderzoek te zenuwachtig en nogmaals verklaarde hij Andeweg geheel niet den geschikten persoon voor een dergelijke zaak geacht te hebben. Ook had men, zoo vertelde besch, voorts, gevraagd wie verantwoordelijk was voor het geld, dat zich in de kas bevond en dit was de betrokken ambtenaar Andeweg, die ook de verantwoording had voor de pakketten distributiebescheiden, die ‘s morgens al aangekomen waren. ,,U hebt dit alles als een precicieus ambtenaar behandeld”, meende de voorz. „alsof het in een gewonen tijd was”. Men had, zoo vertelde besch. verder, mij om inlichtingen gevraagd omtrent het personeel en daar het alom bekend was, dat een groote instelling als het staatsbedrijf der P.,T.T. wel staten van dienst had, had besch,, zoo hij zeide, deze staten overhandigd en den S.D. had de daarop bevestigde foto’s direct eraf gescheurd. Wat betreft de genoemde uitdrukking over onderduikers verklaarde beseh. dit in een gesprek misschien wel gezegd te hebben, maar dan was het in dit geval toch wel zeer uit z’n verband gerukt. Getuige Slieker, opperwachtmeester der marechaussee, verklaarde, dat hij gezien heeft, dat S.D.ers den bewusten brief in handen hadden en dat zij na eenig puzzlen tot de conclusie kwamen, dat de brief van een van de jongens De Zeeuw afkomstig moest zijn Voorts verklaarde get., dat onderluitenant Kool, die ook hij het groepje stond, hem gezegd heeft, dat de directeur den brief, dien hij onder de kapstok in den gang gevonden had, had binnengebracht. Kool heeft toen echter niet gezegd, dat hijzelf gezien had, dat de directeur den brief binnenbracht. Sl. verklaarde verder, dat de heer Fransen hem, op zijn vraag hoe hij zoo dom kon zijn dien brief aan den S.D. te geven, gezegd heeft, dat hij den brief in de gang had gevonden, hem had opgeraapt en ermee naar binnen gegaan was om hem, nadat hij had gezien, dat de brief aan Andeweg geadresseerd was, aan de politie te geven. Sl verklaarde ook nog, dat hij gezien heeft, dat de directeur de staten van dienst overhandigde aan Van der Tholen en dat de S.D.ers de foto’s eraf scheurden. Getuige Kool verklaarde, dat hij, toen hij om ongeveer 12 uur het kantoor binnenkwam, den brief in handen van een groepje politiemannen en burgers heeft gezien. Ook verklaarde Kool niet te weten of de heer Fransen dezen brief heeft binnengebracht. Getuige Ven der Tholen verklaarde, dat hij den brief zelf in handen heeft gehad en, dat deze geadresseerd was aan Andeweg; dat hij niet weet door wien de brief het kantoor is binnengebracht, maar dat het praatje ging, dat de directeur dit had gedaan ; dat hij niet meer weet van wien hij den brief gekregen heeft ; dat hij kennis heeft genomen van den inhoud van den brief, waarin gesproken werd van een nieuwen overval op het distributiekantoor te Numansdorp, terwijl onderaan de notitie was gemaakt, dat de brief direct vernietigd moest worden na lezing. Van der Tholen verklaarde niet meer zeker te weten of de directeur hem de staten van dienst heeft overhandigd. Getuige V. d. Linden, ambtenaar op het postkantoor, verklaarde, dat hij gehoord heeft, dat een politieofficier Zoethout gezegd heeft, dat het verdwijnen van de distributiebescheiden voor hem het voornaamste was, waarop de directeur antwoordde, dat voor hem ‘t geld het voornaamste was. Voorts verklaarde getuige v. d: Linden, dat de directeur, zonder dat hem daarnaar gevraagd was, tegen Zoethout gezegd heeft : ,,Het verrekt hier van de onderduikers” althans woorden van gelijke strekking. Get. vermoedt, dat hier mee geheel Oud-Beijerland bedoeld werd, Getuige Taselaar, destijds eveneens ambtenaar op ‘t postkantoor verklaarde. dat de directeur tegen Zoethout bovenstaande gezegd heeft. Voorts verklaarde Taselaar, dat hij van den motorrijder, die Zoethout bracht, vernomen heeft, dat Zoethout een N.S.B.-er was, maar get, zeide niet te weten of de man dit ook aan Fransen gezegd heeft. Getuige Andeweg, ambtenaar op het postkantoor, verklaarde, dat de directeur, zonder dat het hem gevraagd was, hem als verantwoordeijjk ambtenaar aansprakelijk gesteld had voor het geld. Dit gezegde van den directeur is, aldus A.’s verklaring, de aanleiding voor Van der Tholen geweest om mij in hechtenis te nemen A. verklaarde voorts omtrent den brief, nadat hij dien had weggegooid, niets meer te weten. De brief was, zoo verklaarde Andeweg, tenzij hii van plaats veranderd was, heel moeilijk te zien. Voorts had hij het geld op het postkantoor gehouden afgescheiden van den overval, verklaarde hij, en het was niet de bedoeling, dat dit geld meegenomen zou worden. Na een korte inleiding, waarin mr. Broekhuijsen aanhaalde, dat hij destijds, toen hij voor het Obergericht Jan de Zeeuw verdedigde, nooit den naam Fransen als de verrader had hooren noemen, en dat Fransen in de zaak Andeweg als getuige á decharge was. opgetreden, waarbij hij. voor Andeweg gunstige verklaringen afgelegd zou hebben, kwam spreker tot de zaak zelf, opmerkende, dat Andeweg den bewusten brief veertien dagen bij zich gedragen had, terwijl er dubbel onderstreept op zou staan, dat deze brief direct vernietigd moest worden. Andeweg had op een ogenblik den brief in de gang weten te werpen, waar de heer Fransen, zoo hij zich nog herinnert, hem heeft zien liggen. Dan begint de gaping, aldus Spr. Volgens den verdediger waren er twee mogelijkheden, n.l. óf besch. heeft den brief zien liggen, opgeraapt en binnengebracht, óf hij heeft den brief opgeraapt en een politieman, die in de buurt stond is haastig toegeschoten en heeft het schrijven bij de anderen gebracht. Geen van beide gevallen zijn bewezen of kunnen bewezen worden, maar het is een feit, dat de heer Fransen den inhoud van den brief eerst vernam bij de rechtszitting te Utrecht, aldus spr. Mr. Broekhuijsen teekende zijn cliënt als een ambtenaar, die vele artikelen, paragrafen en reglementen op z’n duimpje kent. De dienst was a.h.w. zijn kind, aldus spr., van daar de groote schrik, toen hij zag, dat er f 70.000 verdwenen was. Spr. kon het zich heel goed indenken, dat de eerste gedachte van zijn cliënt geweest was : wie is direct de verantwoordelijke man ; het bleek dat Andeweg dit was. Waarschijnlijk zijn de politiemannen, veronderstelde de verdediger, ook wel op dit idee gekomen. Andeweg’s arrestatie, zou volgens den raadsman echter niet zoo zeer te wijten zijn geweest aan deze opmerking, dan wel aan het feit, dat Andeweg zeer nerveus was, waardoor direct de aandacht op hem was gevallen. Hierna legde spr. enkele verklaringen over van personen, die besch. goed kenden. Hieruit bleek, dat besch, door de bevolking pro-Duitsch werd genoemd, omdat hij voor den oorlog tegen het Verdrag van Versailles was, daar de 10 punten van Wilson er volgens hem niet geheel in gehandhaafd waren. Toen de Duitschers hier binnengevallen waren, had besch. de invallers direct tot zijn vijanden verklaard, aldus de verklaringen Verder was uit de verklaringen op te maken, dat besch. een nerveus persoon was, moeilijk voor zichzelf en zijn omgeving en zeer concientieus wat betreft z’n werk. Men achtte hem zeker niet in staat den verrader te spelen De raadsman legde op deze persoonlijke omstandigheden nogmaals den nadruk en meende, dat het besch. niet kwalijk genomen mocht worden, dat hij, misschien, op een gegeven oogenblik gefaald heeft een bijna bovenmenschelijk inzicht te hebben in de omstandigheid waar hij plotseling kwam te staan. Inzake de uitdrukking over onderduikers voerde spr. aan, dat toendertijd heel Nederland vol onderduikers zat en wellicht is het gesprek tusschen Zoethout en besch. in verband met den overval op onderduikers gekomen. Zou, zoo vroeg spr., de vijand erg geholpen zijn door deze uitdrukking? Met betrekking tot de foto’s, die bevestigd geweest waren op de staten van dienst, voerde de verdediger aan, dat men op alle overheidsinstellingen staten van dienst had en toevallig was het bij de P.T.T. zoo, dat daar ook de foto’s van de betrokken personen aan bevestigd waren. Het was onmogelijk, aldus spe. die foto’s snel te verwijderen en evenmin om snel een andere oplossing te vinden voor dit vraagstuk. Spr. vertelde tenslotte nog van de vele goede daden, die zijn cliënt in stilte had gedaan. Zoo zou hij een man, wiens zoon gevangen zat, steeds geld gegeven hebben waardoor deze man in de gelegenheid was, zijn zoon regelmatig te bezoeken. Verder had hij ervoor gevochten om zijn personeel uit Duitschland te houden en had hij den eenigen N.S.B.-ambtenaar op zijn kantoor, Van Hees, eruit weten te werken. Ook in Ter Apel, waar besch, geweest was voor hij in Oud-Beijerland kwam, stond besch., aldus verdediger, hekend als een man, die veel voor anderen deed, maar hierover nooit sprak. Nadat Mr. Broekhuijsen tenslotte nog de opmerking had gemaakt, dat het geroddel over den heer Fransen pas was begonnen, nadat Andeweg, welken besch. had geholpen voor den Arheidsinzet uit Duitschland te blijven en voor wien besch. á decharge getuigd had bij zijn proces te Utrecht, was terug gekomen, vroeg de verdediger algeheele vervallen verklaring van de beschuldiging. Na in raadskamer te zijn geweest voldeed het Tribunaal aan dit verzoek.

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *