1947 – Hij zal zijn pensioen moeten missen

Facebooktwitter

Terug naar de indexpaginaUitleg over tribunaalverslagen in de krant

Jan Wander te Klaaswaal

Aanklacht 2 april 1947

Gisteren diende de zaak van Jan Wander, gewezen onder-luitenant der marechaussee, wonende te Klaaswaal. Hem werd ten laste gelegd, dat hij: van Juli 1941 tot Januari 1945 lid geweest is van de N.S.B. en van de Vierschaar kring Zuid-Hollandsche eilanden, alsmede blokleider van de N.S.B.; foto’s van Mussert en Hitler op zijn bureau had staan; een herhalingscursus in de Duitsche taal heeft gevolgd; lid geweest is van den N.V.D.; 7 Augustus 1941 eigener beweging twee Engelsche piloten heeft gearresteerd, welke hij gedreigd zou hebben met een pistool; met de Landwacht razzia’s en met den S.D. op Tiengemeten een klopjacht op onderduikers gehouden zou hebben; bij een razzia Klaas van Bergeijk te Piershil gedreigd zou hebben hem over te leveren aan den S.D. indien hij niet bekende onderduikers te hebben en wilde zeggen waar die waren; bij Arie Bouman te Piershil een radio en enkele kleedingstukken van onderduikers in beslag genomen zou hebben; lid geweest zou zijn van de Sicherheitspolizei afdeeling Brandweer; in dienst geweest zou zijn van de Nederlandsche Landwacht en als instructeur werkzaam geweest zou zijn; zich 30 Januari 1945 gemeld zou hebben voor de vrijwillige hulppolitie; lid is geweest van het rechtsfront; als N.S.B.-er zijn radio mocht behouden en dat hij tengevolge van zijn pro-Duitsche gezindheid bevorderd zou zijn tot onder-luitenant van de marechaussee. Ten aanzien van het hem ten laste gelegde voerde besch. het volgende aan: Reeds vroeg was hij in aanraking gekomen met lectuur, waarin het communisme als zeer gevaarlijk werd aangeduid om de geloofsvervolging, welke er in Rusland plaats vond. Als religieus man had besch., zoo hij zeide, zich verplicht gevoeld zich aan te sluiten bij de N.S.B., toen op 21 Juli 1941 Duitschland en Rusland in oorlog geraakten. Dat er in Duitschland eveneens geloofsvervolgingen plaats vonden was besch. toendertijd onbekend. Tegen de menschen had besch. nooit over zijn lid-worden gesproken, omdat hij er niet naar gevraagd werd. De Vierschaar was een instelling, die binnen het verband van de N.S.B. werkte, aldus besch., en geschilpunten van de leden onderling oploste. Ook had in deze commissie ballotage plaats, wanneer nieuwe leden wilden toetreden. Blokleider was hij slechts op papier geweest, verklaarde besch. P. Louter Jz.. kon deze functie formeel niet meer vervullen en besch. was toen formeel als blokleider opgegeven. Louter was echter het werk blijven doen en besch. wist er, zoo hij zeide, niet veel van af. De foto’s van den Führer had hij, in opdracht van zijn superieur opgehangen; die hingen trouwens op alle politiebureaux, wist besch. te vertellen. Toen de voorz. opmerkte ze te Oud-Beijerland nooit gezien te hebben, bleek het dat de bewuste afbeeldingen op de kamer van luit. Van der Tholen hingen, die ook besch.’s opdrachtgever was geweest in deze kwestie. Vervolgens vertelde besch. van de arrestatie van de twee Engelsche piloten. ’s Morgens, zoo begon besch., had ik bericht gekregen namens opperwachtmeester Van Antwerpen, dat er in de Hoeksche Waard Engelsche piloten moesten zijn en dat er gesurveilleerd moest worden. Besch. was dien morgen het dorp doorgereden, maar had niets verdachts gezien. Des middags vertelde men hem, dat er twee piloten in de buurt gezien waren maar besch. was er toen niet heengegeaan om hen te arresteeren. Des avonds echter was et iemand bij hem gekomen, aldus vertelde besch., die hem mededeelde, dat de piloten op het dorp waren en het volk er om heen stond. Wanneer besch. de piloten niet zou arresteeren, zou besch. verantwoordelijk zijn voor de gevolgen wanneer de Duitschers een en ander in de gaten kregen. Verd. had kort met den burgemeester gesproken en was daarna op zoek gegaan naar de vliegeniers, die hij aan den Westdijk vond omringd door een massa menschen. Besch. had ze, zoo vertelde hij verder, langs een binnenweg de gemeente binnengebracht waar de burg. de piloten gastvrijheid verleend had. Besch. had toen, zoo hij zeide, in op-dracht van den burgemeester de Duitschers, die te Westmaas lagen, opgebeld en deze hadden de piloten toen gehaald. Voor het huis van den burgemeester, zoo vervolgde besch., waren veel menschen tesamen gekomen en de Duitschers hadden op de menigte willen schieten. Besch. had dit, zoo hij zeide, weten te verhinderen. Ook zou hij den Duitschers op hun vraag niet gezegd hebben, dat men hem had nageroepen en gedreigd met in de sloot werpen, toen hij de piloten opbracht. Ook zou hij hen geen namen genoemd hebben van de personen, waar de piloten in huis geweest waren enz. Vervolgens verklaarde besch. dat hij in opdracht van den burgemeester toen een rapport opgemaakt had over het voorgevallene, van welk rapport hij zelf een doorslag gehouden had. Op een vraag van den voorzitter of er buiten het officieele rapport, dat besch. persoonlijk aan den burgemeester had overhandigd en het afschrift, dat besch. zelf bewaarde, nog een tweede afschrift was, dat doorgezonden zou zijn aan een Duitsche- of N.S.B.-instantie, antwoordde besch. pertinent ontkennend. Van ’n zekeren Van Houten was er evenwel een soort aanbevelingsbrief voor W. in het dossier waarin een, voor een N.S. B.-er, gunstig licht geworpen werd op de arrestatie van de twee piloten. Besch. zou ook nog om assistentie uit Oud-Beijerland gevraagd hebben, daar hij een gevecht van pro-Engelsche personen tegen de politie vreesde. Betreffende de landwacht en de razzia’s vertelde besch. het volgende: Dikwijls kwamen politiemannen bij hem, den groepscommandant, klagen, dat landwachters bij hun razzia’s zoo stalen en bruut optraden. Ook aan hoogere instanties was dit bekend en de landwacht zou daarom geïnstrueerd worden. Besch. was daarvoor aangezocht. Hij was dus, zoo hij zeide, niet zelf landwachter, maar hij instrueerde de landwachters. Besch. had, zoo hij zeide, vaak menschen uit handen van de landwachters gehouden, hoewel dit ook gevaarlijk werd, daar hij zich, aldus spr., al tweemaal had moeten verantwoorden voor den S.D. Wat de klopjacht op Tiengemeten betreft verklaarde besch.: Verschillende politiemannen hadden opdracht gekregen zich te Numansdorp te melden; hierbij was ook besch. De S.D. was daar gekomen en over Zuid-Beijerland trok men naar Tiengemeten. Duitschers en Hollanders hadden toen persoonsbewijzen gecontroleerd maar niets bijzonders gevonden, aldus besch. Het was, zoo vervolgde besch. zijn verhaal, ook een keer voorgekomen, dat opperwachtmeester Van Antwerpen opdracht gekregen had van Van der Tholen om in de richting Nieuw-Beijerland-Piershil te fietsen met een groep politiemannen. Halverwege hadden v. d. Tholen en Kool het gezelschap per motor ingehaald. Van der Tholen had de groep toen gesplitst en was zelf met Kool naar de boerderij van Van Bergeijk gegaan, waar allen na anderhalf uur weer moesten aantreden. Kool en v. d. Tholen waren bij Van Bergeijk binnen en besch. moest er ook bij komen, zoo vertelde hij. Hij had toen kort met Van Bergeijk gesproken, maar had, zoo hij zeide, geenszins gedreigd met Duitsche politie. Van Bergeijk en zijn zoon waren intusschen met een auto naar Oud-Beijerland vervoerd en vandaar den volgenden dag, zoo ging besch. voort, naar Rotterdam gebracht. Besch. moest na het voorval bij Van Bergeijk met v. d. Tholen mee, die naar Arie Bouman te Piershil ging. Terwijl Kool en v. d. Tholen alvast binnen gingen had besch., zoo hij zeide, eerst Bouman van achter de schuur vandaan gehaald. Intusschen hadden Kool en Van der Tholen de radio, die gewoon in de kamer stond, gezien en bemerkt, dat de naald een Engelsch station aanwees. Op den zolder had v. d. Tholen nog kleeren gevonden, die, zoo de vrouw des huizes bekend had, van onderduikers waren en besch. had, naar hij zeide, deze kleeren voor zijn superieur, mee naar beneden moeten dragen. Later op den dag had v. d. Tholen besch. de opdracht gegeven processen-verbaal van de verschillende arrestaties op te maken, en na een dag had besch., aldus zijn verklaring, deze opdracht uitgevoerd. V. d. Tholen had hem enkele zinsneden gedicteerd voor deze rapporten. De rapporten moesten van v. d. Tholen naar de S.D. gebracht worden en te Rotterdam zou besch. zich gevoegd hebben bij het gezelschap dat Van Bergeijk, diens zoon en de radio wegbracht naar den S.D. Van de Sicherheitspolizei wist besch. niets af. Zijn verdediger, mr. Nauta, vond het zeer wel mogelijk dat, daar het stuk geheel in het Duitsch opgesteld was, dit de benaming was voor de gewone politie. Ook van een aangifte voor de vrijwillige hulppolitie wist besch. niets af en mr. Nauta achtte het onwaarschijnlijk, dat een onderluitenant van de marechaussee zich voor de vrijwillige hulppolitie opgeeft. Over de vrijstelling van radio-inleve-ringsverplichting via de N.S.B. verklaar-. de besch., dat hij bij de politie een vrijstelling had aangevraagd en verkregen. Toen deze vrijstellingen waren ingetrokken had hij, naar hij zeide, geen gebruik gemaakt van z’n N.S.B.-vrijstelling, doch het toestel laten onderduiken. Door het tribunaal en den verdediger waren verschillende getuigen gedagvaard. A. B. H. Vlielander, rentmeester te Numansdorp, noemde besch. een politieman in hart en nieren, of het nu een diefstal van Duitschers of een foutieve handelwijze van Hollanders was. Spr. voerde tot staving van deze verklaring aan de geschiedenis, dat Duitschers eens een auto met aardappelen van hem had. den gestolen en besch. alles in het werk gesteld had om wagen en lading te achterhalen, hoewel hij wist daarmede waarschijnlijk de Duitschers in een minder aangename stemming te brengen. De wagen kwam terug en de Duitschers waren erover ontstemd dat besch. de dieven achterhaald had maar besch. had gezegd: het recht moet z’n loop hebben. K. van Bergeijk, landbouwer te Piershil, vertelde van het bezoek dat hij van v. d. Tholen c.s. kreeg. Besch. had, zoo verklaarde hij, hem willen overhalen om maar te vertellen, waar alles was en hoe alles in elkaar zat, maar v. B. vertrouwde besch. niet en ging er niet op in. v. B. en zijn zoon waren toen naar Oud-Beijerland overgebracht, waar besch. met v. d. Tholen hem nog eens kwamen opzoeken om te trachten nog iets te weten te komen, aldus de verklaring, en toen v. B. niets had willen loslaten waren zijn bezoekers weer weggegaan en waarschijnlijk was het v. d. Tholen, die zeide: We zullen je wel aan den S.D. overleveren. Toen hij naar Rotterdam overgebracht werd, zoo verklaarde v. B. voorts, had besch. zich in de Rosestraat bij hen gevoegd en hij had bij den S.D. binnen met den arm gezwaaid en waarschijnlijk den Hitlergroet gebracht en iets gemompeld. In elk geval, zoo zeide de getuige, week het gedrag van besch. af van dat van de anti-Duitsch gezinde marechaussees, die aanwezig waren. W. Lammers, te Heinenoord, verklaarde, dat, toen hij eens gevangen gezet was te Westmaas, omdat hij uit het huis van den weggeloopen N.S.B.-er Van Asperen een radiotoestel en een tandem had gehaald, besch. hem had vrij gelaten, hem zelfs het bevel tot inhechtenisneming nog meegevend. De zaak was wel zoo ernstig, dat er vijftien Blaaksche burgers voor gefusilleerd zouden worden wanneer de dader niet bekend werd. Besch. voegde aan deze verklaring toe, dat hij direct opgebeld was door v. d. Tholen, die woedend was omdat besch. Lammers niet aan de Duitschers had uitgeleverd, maar besch. had gezegd dat de zaak reeds in handen was van de Nederlandsche Justitie. J. de Zeeuw, oud-burgemeester van Heinenoord, verklaarde, dat hij besch. geen opdracht heeft gegeven een rapport samen te stellen over het voorgevallene op 7 Augustus 1941 n. a. v. de arrestatie van de twee piloten. Getuige had besch. aan het werk bezig gezien en gevraagd, wat hij van plan was met die papieren, waarop besch. zou hebben geantwoord, dat hij het voorval wilde vastleggen. Waarschijnlijk heeft besch, drie exemplaren gemaakt, aldus getuige, maar hij kon niet zeggen, dat één van de rapporten aan een N.S.B.- of Duitsche instantie was doorgegeven. 10 Augustus had een N.S.B.-er besch. er opmerkzaam op gemaakt dat de burgemeester van een dergelijk voorval een rapport moest opmaken volgens de toen geldende voorschriften. Besch. had, volgens get., dit aan hem (get.) gezegd maar get. had gezegd dat besch. daar niets mee te maken had. Later moesten getuige’s zoon en zekeren H. de Bruin bij den S.D. komen en werden hun schrijfproeven afgenomen n. a. v. een anoniemen brief die geschreven was aan C. P. v. d. Erve aan den Westdijk. Getuige’s zoon en genoemde De Bruin werden er van verdacht, den brief, die nogal wraak zuchtig gesteld was, geschreven te hebben. Bij het verhoor was den heeren iets voorgelezen uit een verklaring over de pilotenkwestie en de verhoorden hadden het vermoeden dat dit misschien het rapport van besch. geweest is. Besch. zeide met den brief niets uitstaande te hebben gehad. F. J. Middelhoek, ambtenaar ter secretarie te Heinenoord, verklaarde nooit eenige last gehad te hebben van besch. Op de gemeente-secretarie besprak men in besch.’s bijzijn rustig het laatste nieuws terwijl de luchtbeschermingsradio in het gemeentehuis zoo geplaatst stond dat men bij besch. in de woonkamer kon hooren welk station beluisterd erd, Verder leefde besch., volgens de verklaring, op zeer gespannen voet met burg. Roodzand daar deze de benzine van de luchtbescherming „verreed” en getuige dit had doorgegeven aan de Rijksinspectie voor de luchtbescherming, en besch. getuige de hand bóven het hoofd hield. Getuige’s meening was, dat als besch. kwaad gewild had hij heel wat had kunnen verrichten en dat heeft hij niet gedaan. A. Bouman, landbouwer te Piershil, verklaarde dat besch. hem had tegengehouden toen hij nog snel aan de knop van het radiotoestel had willen draaien om de naald op een ander station te krijgen, nadat v. d. Tholen al had opgemerkt dat het toestel op den Engelsen zender stond afgesteld. D. H. Smits, destijds landbouwer te Tiengemeten, thans wonende te Strijen, verklaarde, dat bij een onderzoek bij hem thuis besch. tot tweemaal toe had aangedrongen bij de Duitschers om toch ook nog even boven te gaan kijken of er soms nog bedden beslapen waren, waarop de Duitscher antwoordde: Als jij wilt, ga je gang dan maar. S. de Vos, landbouwer te Tiengemeten, verklaarde dat hij een groep politiemannen en Duitschers een drijfjacht had zien houden; hij had besch. daar ook bij gezien. P. Goedeburen, wachtmeester der Rijkspolitie te Numansdorp, verklaarde, dat besch., wanneer deze zaken ter spoedige onderzoeking doorgezonden kreeg van den S.D., met de uitvoering van huiszoeking altijd een dag of wat wachtte, zoodat er voor de betrokken personen ruimschoots gelegenheid was om of hun zaken in veiligheid te brengen, welke verklaring getuige met enkele voorbeelden staafde. J. van Antwerpen, opperwachtmeester der Rijkspolitie te Oud-Beijerland, verklaarde, dat besch. absoluut niet gevaarlijk was voor de politie en niets verraden had. Besch. had, zoo verklaarde v. A., de processen-verbaal opgemaakt als ondergeschikte van v. d. Tholen, niet omdat hij zelf de arrestaties verricht had. C. Vogelaar, winkelier te Heinenoord, verklaarde dat besch. eens bij hem den winkel was binnengekomen terwijl hij naar den Engelschen zender luisterde. Besch. had echter gezegd: Ik ga maar weer gauw weg, dan kunnen jullie weer verder luisteren. A. Huisman, winkelier te Klaaswaal, verklaarde, dat besch. hem was komen waarschuwen dat de Feldgendarmerie hem op de hielen zat; getuige had zich zoodoende tijdig van valsche papieren kunnen voorzien, waardoor z’n leven gered was. L.A. Hoek, los werkman te Klaaswaal, verklaarde, dat besch. hem en zijn buren had gewaarschuwd voor huiszoeking, omdat het bekend was geworden dat zij een radio bezaten; hierdoor waren velen in de gelegenheid gesteld hun toestel te laten onderduiken of anderszins. Besch. vond het jammer, dat burg. De Zeeuw van Numansdorp niet aanwezig kon zijn wegens ziekte, daar deze waarschijnlijk wel een en ander had kunnen verklaren. Zoo zou deze volgens besch. bij diens overplaatsing naar Numansdorp gezegd hebben: Uw God is mijn God en uw bijbel is mijn bijbel, maar blijf lid van de N.S.B., want je kunt er veel goeds mee doen voor de burgerij. Verder vestigde besch., evenals zijn verdediger, de aandacht op den overval in het postkantoor te Oud-Beijerland met de gevolgen welke deze had voor den zoon van den burgemeester van Numansdorp. Over deze zaak legde de verdediger een uitvoerige verklaring over van mr. Broekhuys, verdediger van J. de Zeeuw, toen deze in den oorlog n. a. v. de postkantooroverval voor een Duitsch gerecht moest verschijnen, welke verklaring voor besch. zeer gunstig was. De verdediger mr. Nauta ging nog eens punt voor punt de beschuldiging na en vond, dat er maar weinig bezwarends voor beseh. overbleef, mede gezien de getuigenverklaringen. Spr. vestigde de aandacht van het tribunaal op het vele goeds dat besch. heeft gedaan, waardoor hij vele menschen het leven heelt gered. Spr. maakte nog een opmerking over de wijze van verhoor toen besch. gedetineerd was: L Grand had achter de verklaring van besch. een stuk papier gehecht waarop hij zijn eigen meening over besch. geeft en spreekt van een laf en leugenachtig karakter met betrekking tot besch. Dit past een verbalisant niet, die eigenlijk de pen van besch. is, aldus de verdediger. eveneens haalt dit volgens spr. een streep door de objectiviteit, waarmede de verbalisant het verhoor op schrift stelde. Spr. wees er voorts op dat zijn cliënt het verhaal niet geteekend heeft, omdat hij het over sommige punten niet met den verbalisant eens was en verbalisant wel toezegde wijzigingen aan te brengen, maar deze toezegging, blijkens de stukken, niet nagekomen is. Mr. Nauta besloot met erop te wijzen, dat besch. een 25-jarigen voorbeeldigen staat van dienst achter zich had toen de oorlog uitbrak; dat hij zijn pensioen zal moeten missen en dat hij bijna twee jaar gedetineerd is geweest. Spr. meende, dat zijn cliënt reeds genoeg geboet heeft en vroeg onmiddellijke invrijheidsstelling. Het Tribunaal willigde het verzoek in. Uitspraak 15 April.

Uitspraak 16 april 1947

De zitting van het tribunaal was ditmaal van korten duur. Het deed alleen uitspraak in de zaak van den voormaligen onder-luitenant der marechaussee J. Wander uit Klaaswaal en veroordeelde hem tot een interneeringsstraf gelijk aan den tijd in het gevangenkamp doorgebracht, ontzetting uit de beide kiesrechten en uit het recht openbare ambten te bekleeden. Het tribunaal was van oordeel, dat Wander de Nederlandsche zaak heeft geschaad door als politieman tot de N.S.B. toe te trden, maar liet zich aan den anderen kant leiden bij het bepalen van de uitspraak door het vele goede, dat besch. in den bezettingstijd heeft verricht, hetgeen uit de onderscheidene getuigenverklaringen was gebleken en door het feit, dat hij ook Duitschers, die diefstallen pleegden, vervolgde. 

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *