1947 – Hij leverde gevaar op voor zijn omgeving

Facebooktwitter

Terug naar de indexpaginaUitleg over tribunaalverslagen in de krant

B.W. Schipper te Oud-Beijerland

Aanklacht 6 augustus 1947

Een lange beschuldiging en een ingewikkelde zaak bleek die tegen B. W. Schipper, koopman te Oud-Beijerland, te zijn, die ervan werd beschuldigd, dat hij zich in ’40 als voorlopig en in ’41 als lid zou hebben aangesloten bij de N.S.B. in Jan, ’43 lid van de N.V.D. werd en de functie van penningmeester bekleedde : lid geweest was van het Economisch Front en aangesloten geweest zou zijn bij het Agrarisch Front ; in het algemeen blijk gegeven zou hebben van een Nat.Soc. gezindheid, doordat hij de cursus Opleiding Nat. Soc, ambtenaren gevolgd heeft ; heeft deelgenomen aan de cursus Nederlands Duitse Cultuurgemeenschap ; lid was van het Soc. Ec. Genootschap Nederland en Europa ; in Jan ’44 f 650.— zou geschonken hebben aan de N.V.D. en een orgelconcert gegeven zou hebben voor leden van de Duitse weermacht ; in een brief aan de heer K. Visser d.d. 23 Aug. ’41 mededeelde, rapport uit te zullen brengen aan de heer W.O.A. Koster, hoofd van Sociale Zaken te Utrecht, betreffende de verkeerde behandeling van zijn broer Jac. Schipper inzake het leiderschap van de distributiedienst en in deze brief bedreigingen deed uitkomen, onder meer gericht tegen de gemeente-secretaris van Oud-Beijerland ; in een brief aan zekere Kingsma, wnd. leider van de N.V.D. voor Zuid-Holland zich als volgt uitliet: „dat vaststaat, dat, burgemeester Diepenhorst in het gemeentebelang van Oud-Beijerland dient te verdwijnen, en wat mij betreft, hoe eer, hoe liever ; d.d. 3 Mei ’44 een schrijven aan Opitz, Fachberater aan het arbeidsbureau Dordrecht richtte, waarin hij voor H. Groenewoud om vrijstelling van werken voor de Duitse Weerwacht vroeg en daarin aanbood te zorgen voor één of meer anderen, indien deze vrijstelling gegeven zou worden ; d.d. 19 Juli aan Olthuis. medewerker van de S.D. een brief geschreven zou hebben, waarin hij gevraagd zou hebben of er niets gedaan kon worden tegen D. Fonkert, die op een verjaardagspartij met plezier en gnuivend had zitten praten over het vermoorden van kameraad Van Dalen te Rotterdam en reclame had zitten maken tegen die rotte N.S.B.-ers” ; door tussenkomst van de Ortskommandant Ammann zijn aansluiting op het lichtnet zou hebben behouden ; rond April ’43 samen met S. Beijer aan de Oberleutnant der Schutzpolizei Hollenstein een lijst had opgestuurd met namen  en adressen van zwarthandelaren en fel anti-Duitse elementen te Oud-Beijerland, met het verzoek uit gemelde personen een keus te maken voor tewerkstelling in Duitsland in plaats van twee met name genoemde personen waarvoor zij vrijstelling van tewerkstelling vroegen ; omstreeks Aug. ’44 aan de Landwacht inlichtingen zou hebben verschaft waardoor de Grüne Polizei en leden van de Duitse Weermacht met de landwacht een huiszoeking deden bij J. Hoogvliet ; rond 5 Mei 1945 gezegd zou hebben, toen de Duitsers A. van Steensel, 1e ambtenaar ter secretarie te Oud-Beijerland, wilden arresteren „tien minuten geleden was hij nog thuis”, waardoor er nogmaals huiszoeking werd gedaan bij genoemde Van Steensel ; tijdens zijn werkzaamheden ter secretarie te Oud-Beijerland, oproepen om te komen spitten rondgezonden had aan verschillende personen, wat zonder zijn medewerking niet mogelijk geweest zou zijn, daar het bevolkingsregister verdwenen was ; zich over J. Bongers te Oud-Beijerland, die op het gemeentehuis moest verschijnen tot A. v. d. Marel als volgt zou hebben uitgelaten „Denk er om dat je tegen de burgemeester zegt, dat het een fel anti-Duits persoon is, die geweigerd heeft om de loyaliteitsverklaring te tekenen en dat je er op aandringt, dat hij moet gaan spitten”, althans woorden van dergelijke strekking zou hebben gebezigd.

Betreffende het lidmaatschap van de N. S. B. deelde besch. mede, dat hij in ’39 reeds voorlopig lid was geworden en in ’40 zich aansloot. Uit de bekentenis van besch. aangaande het volgen van de verschillende cursussen, maakte de voorzitter op, dat besch. niet alleen nationaal socialistisch, maar ook Duitsgezind geweest is. Besch. echter verklaarde, dat hij de cursussen alleen volgde om een bredere algemene ontwikkeling op te doen. Om deze bewering te staven voegde besch. er nog aan toe, dat hem meerdere malen betrekkingen aangeboden waren op administratief gebied, doch dat hij deze steeds van de hand gewezen had. Aangaande het orgelconcert verklaarde besch., dat de toenmalige Ortskommandant Ammann hem gevraagd had een concert te geven voor de leden van de Duitse Weermacht. Besch. had dit echter pertinent geweigerd en gezegd wel een concert te willen geven voor het publiek, waar dus tevens de weermacht van genieten kon. En zo was het ook gegaan, aldus besch. Besch. ontkende lid van het Agrarisch Front geweest te zijn. Waarschijnlijk was zijn naam voorgekomen op een lijst van gratis abonnees van de Landstand, veronderstelde hij, daar hij dit blad zonder erop geabonneerd geweest te zijn, steeds kreeg toe-gezonden. Het bedrag van f 650.— was een uitkering van de N.V.D. aan mevr.. v. d. Tholen, die in verschillende gevallen gezinshulp verleend had en aan wie uitbetaald werd via besch., die penningmeester was. De brief aan de heer K. Visser noemde besch. een uiting van een soort van verbittering, zoals hij zich meer geërgerd had over het optreden van verschillende personen. Tevens had hij daarin aangestipt de eigenlijk te bewandelen weg. Besch. zei echter geen verder werk van de zaak gemaakt te hebben en hij erkende geheel het foutieve van deze handeling, omdat hij, zo vond hij, niet het recht had zich te ergeren aan dergelijke dingen. Ook de brief aan Kingsma was een brief geweest, die besch. opgesteld had op een ogenblik, dat zijn ergernis ten top was gestegen. De brief aan Opitz inzake Groenewoud, had besch. op een avond laat geschreven, toen genoemde G. bij hem kwam vertellen, dat hij zich de volgende morgen, moest melden om in Duitsland te gaan werken. Met de eerste gelegenheid was G. de volgende dag toen eerst naar Dordt gegaan en op deze brief was hem direct vrijstelling verleend, hetwelk G., op de publieke tribune aanwezig, bevestigde. De voorzitter concludeerde hier dus te moeten spreken van een spoedgeval, om hetwelk besch. het aanbod gedaan had voor enkele anderen te zorgen. Over de brief aan de S. D.-er Olthuis betreffende uitlatingen van de heer Fonkert verklaarde besch. dat hij de brief niet geschreven heeft, maar dat hij wel vermoedde wie het gedaan kon hebben. Hij wist echter niet waar de brief geschreven kon zijn. Bij het eerste verbaal had besch. echter verklaard, dit epistel aan Olthuis geschreven te hebben; in een latere verklaring kwam hij hierop terug. zeggende wel te weten, wie de brief heeft geschreven, maar niet te weten waar of met welke schrijfmachine. Verder had besch, toen verklaard in het eerste verbaal erkend te hebben, dat hij de brief geschreven had, om de werkelijke schrijver niet erin te laten lopen. Thans echter bleef besch. bij de verklaring slechts te vermoeden wie de brief schreef en helemaal niet te weten, waar hij geschreven werd. Beschr voegde er nog aan toe, dat zijn verhouding tot de familie Fonkert altijd goed geweest was en hij veel waardering voor haar had. Nu de zaken zo stonden, wilde besch. dan ook nog wel vertellen, dat hij het geweest was die de gebroeders Fonkert, die met Kerstmis ’44 in Oud-Beijerland gevangen zaten, had weten vrij te maken. Thans betreurde besch. het, dat hij de daden, die hij voor vele mensen verrichtte, toen niet aan de grote klok gehangen heeft. Meer dan eens was hij, aldus besch., bij de Duitsers, de S.D., geweest om iets te doen in het belang van zijn medemens. Het zou hem dan nu, zo veronderstelde besch., heel wat gemakkelijker gemaakt zijn. Overgaande op de beschuldiging t.a.v. de aansluiting op het lichtnet, verklaarde besch. dit niet gekregen te hebben, omdat hij zo goed bevriend was met luitenant Ammann, de ortskommandant maar omdat hij zo ontzettend veel administratief werk te verrichten had voor de Centrale Keuken. De voorzitter zeide, dat het hem bekend was, dat besch. hiervoor inderdaad veel gedaan heeft. Vervolgens belandde men bij de lijst met vijftien namen. Destijds had besch. in de zaak Beyer in een getuigenverklaring deze zaak al uitvoerig uiteengezet, en dezelfde gang van zaken beschrijvende, vertelde besch. hoe hij bij Hollenstein een lijst met ongeveer tachtig namen van Oud-Beijerlandse burgers had aangetroffen, waarachter enkele opmerkingen over de personen, geplaatst waren n.l. hoe anti-Duits ze waren, of ze soms het beroep van zwarthandelaar uitoefenden enz. Besch. merkte op, dat dit in April ’43 was, naar zijn mening wel een van de spannendste perioden uit de bezettingstijd, daar toen de Nederlandse militairen als krijgsgevangenen weggevoerd, veel mensen gefusilleerd en nog meer bij razzia’s opgepikt werden. Tegen deze lijst zou besch. geprotesteerd hebben, en na veel heen en weer gepraat zou hij het zover hebben weten te krijgen, dat Hollenstein deze lijst zou vernietigen wanneer besch. een uittreksel van de lijst maakte met ongeveer vijftien namen. Besch. had toen, zo hij zeide, bij Hollenstein ijverig aantekenigen gemaakt van de oorspronkelijke lijst en had Hollenstein in de waan gelaten, dat hij op zijn aanbod inging. Echter, nadat besch. zich met de fachberater Opitz te Dordrecht had verstaan, in die zin, dat deze hem de stellige verzekering gaf, dat de lijst met namen, die Hollenstein door moest zenden naar Opitz, in Dordrecht vernietigd zou worden en dat er met de op deze kleinere lijst voorkomende personen niets gebeuren zou, had besch. het uittreksel voor Hollenstein gemaakt. Besch. zeide er van overtuigd te zijn, dat hij de tachtig mensen van de eerste lijst gered had door het samenstellen van het kleinere lijstje. De voorzitter kon de beschrijvingen achter de personen toch niet erg waarderend vinden maar besch. merkte op, dat het alles camouflage geweest was om Hollenstein om de tuin te leiden, want wanneer Hollenstein de comedie doorzien zou hebben, zou het leed niet te overzien geweest zijn door de maatregelen, die hij als Oberleutnant van de Schutzpolizei zou nemen. Een der leden van het tribunaal merkte op, dat de lijst met vijftien namen in handen was gekomen van de leider van het Arbeidsbureau Oud-Beijerland, en dat het daar waarschijnlijk aan te danken is, dat er niets gebeurd is met de genoemde personen, en dus niet aan de belofte, die Opitz aan besch. gedaan zou hebben. besch. noemde het van Opitz ook onvergeeflijk, dat hij de lijst had doorgezonden, hoewel hij, besch., het niet onmogelijk achtte, dat leden van de ondergrondse, welke er volgens hem zeker ook onder het personeel van het Dordtse arbeidsbureau geweest moeten zijn, de brief in Dordt hadden onderschept en hadden doorgezonden naar Oud-Beijerland, omdat zij de heer Van Heemst als een betrouwbaar persoon kenden. Nogmaals legde besch. er hierna de nadruk op dat hij de lijst met vijftien namen zeker niet had samengesteld, wanneer hij er niet van overtuigd geweest zou zijn, dat ook deze personen geen enkel kwaad zou gebeuren. Getuige Beyer kon niets naders mededelen en legde een verklaring af als vervat in bovenstaande. Betreffende de opmerkingen over de verschillende personen achter de namen gemaakt, verklaarde Beyer, dat op de lijst bij Hollenstein eveneens aantekeningen van een dergelijke strekking stonden. Besch. ontkende ten stelligste aan de landwacht inlichtingen gegeven te hebben over zekeren Hoogvliet, bij wie een familie Pille geëvacueerd was, die een onderduiker, genaamd Verweel, had. Hij wist van het bestaan van de familie Pille niets af zo verklaarde hij. Als getuige trad hier op S. A. Moerman, een ex-landwachter van Abbenbroek. Deze verklaarde besch. op een avond bezocht te hebben om te informeren, waar Hoogvliet ergens woonde; besch. zou hem toen gezegd hebben, dat het „hier schuinover” was. Besch. bleef er echter bij, dat hij de inlichtingen niet verschaft had. Besch.’s vrouw, eveneens ter zitting aanwezig, kon opheldering geven. Zij vertelde, dat Moerman met nog twee andere landwachters zij wist toen niet, dat het landwachters waren — hen bezocht had en in de loop van het gesprek had Moerman gevraagd waar Hoogvliet ergens woonde. Het moest ook in het Zandpad zijn en er was een familie Pille in huis. Besch.’s vrouw had toen, aldus haar verklaring, gezegd: „Ja, dat is waar ook, nu U ’t zegt weet ik het ineens, die wonen hier schuin over in ’t zaaltje”. Met deze uitleg was ook dit punt afgehandeld. Besch. ontkende verder ook maar een enkele opmerking gemaakt te hebben bij de huiszoeking bij Van Steensel. Het oproepen van „spitters” erkende besch. geheel. Besch. voegde er nog aan toe, dat hij, wanneer hij weer in een dergelijke situatie geplaatst zou worden, met dezelfde consequenties, hij weer personen zou oproepen, daar luitenant Rohr, de toenmalige Ortskommandant, gedreigd had nog dezelfde dag gijzelaars gevangen te nemen, wanneer er geen „spitters” zouden komen opdagen. Wat betreft de opmerking, gemaakt over de heer Bongers, zeide besch., dat het wel mogelijk is, dat hij een dergelijke uitlating gedaan heeft; bevestigen kon hij het echter niet. Als laatste getuige trad vervolgens op dominee Rijnsburger, tot voor kort predikant te Oud-Beijerland, aan wie de voorzitter vroeg mede te delen welke kijk hij op besch.’s karakter en doen en laten had en heeft. Getuige vond dit meer een vraag voor een psychiater, maar antwoordde, dat besch.’s gedrag tijdens de bezetting gekenmerkt werd door intimidatie. De voorzitter vroeg of get. hiermede bedoelde, dat besch. zijn medemensen bedreigde om zijn eigen doel na te streven. Get. kon echter geen feiten noemen, dan datgene, wat hij zelf met besch. aan de hand gehad heeft. Hij verklaarde zijn mening voornamelijk te baseren op verhalen, die hij van anderen gehoord heeft, wat een psycholoog nogal eens moet doen. Get. verklaarde voorts angst gehad te hebben voor besch. tijdens de predikaties, wat een der leden deed opmerken, dat hij besch. nogal eens aantekeningen had zien maken tijdens een preek. Besch. antwoordde hierop, dat hij dan de noten opschreef van melodietjes die hem door het hoofd speelden; meer dan eens speelde hij als organist, bij het uitgaan der kerk dergelijke melodieën. Eenmaal had ds. Rijnsburger, zo verklaarde deze, een kort briefje van besch. ontvangen, waarin deze, naar aanleiding van een gebed voor vaderland en vorstenhuis, hem ervoor gewaarschuwd had, dat hij gevaarlijke dingen deed en in moeilijkheden zou geraken. Een der leden wees op het bezoek, dat get. had moeten brengen aan de S.D. en vroeg get. hoe volgens zijn mening besch. daar tegenover had gestaan. Get. sprak als zijn overtuiging uit, dat besch. hem niet aangebracht heeft, omdat hij weet, dat een ander, voor hem bekende, dit heeft gedaan. Echter, zo verklaarde get., was deze persoon niet vlug genoeg van begrip om zelf een en ander over te brieven. Get. had een preek gehouden over „Swastika en Kruis” in het Maranatha-gebouw, naar aanleiding waarvan hij het verhoor aan de Heemraadsingel moest ondergaan. De voorzitter vond het, zo hij zeide, onaangenaam, dat get. de dingen niet direct ronduit zei en er steeds zo omheen fladderde, waarom hij hem op de ernst van de zaak wees. Vervolgens uitte hij de veronderstelling, dat get. dus meende, dat besch. de persoon, welke get. bij de S.D. aanbracht, een en ander zou hebben ingeblazen, wat get. beaamde. Hierop vertelde get. van een bezoek, dat besch. hem eens had gebracht. Een van de eerste zinnen die hij gezegd zou hebben zou, bij het zien van een portret van H. M. de Koningin geweest zijn: „Hangt dat wijf daar nou nog”. Nadat get. besch. toen gewezen had hoe de weg zou zijn om de buitendeur weer aan de andere kant te bekijken, zou beseft zijn houding enigszins gewijzigd hebben en „elk aan een kant van de tafel was een gesprek gevoerd over verschillende aangelegenheden”. Besch. noemde de uitlating betreffende het portret een pertinente, bewuste leugen en voegde eraan toe dat get.’s vrouw hem zelfs tot tweemaal toe een kop koffie had aangeboden. Hij was in de veronderstelling geweest, zo zeide hij, dat get. en hij elkaar enigszins beter verstonden bij het uit elkaar gaan, temeer daar get. en zijn vrouw hem al pratende, uitlieten. Later had hij vernomen, dat get.’s vrouw bij enkele kennissen verteld had van het bezoek en gezegd had, dat het gemoedelijk verlopen was, „omdat ze hem maar gelijk gaven, want van „hen” moest je het toch altijd verliezen”. Besch. was erg verbaasd dergelijke verklaringen te horen van de predikant, met wien hij enkele maanden voor de capitulatie nog het avondmaalsfeest vierde. De zaak werd tenslotte voor onbepaalde tijd geschorst, omdat enkele getuigen, op wier verklaringen het tribunaal prijs stelde, niet verschenen waren.

Vervolg aanklacht 1 oktober 1947

De voortzetting vond plaats van de behandeling van de zaak Schipper, koopman te Oud-Beijerland, welke 6 Aug. j.l. was uitgesteld, omdat enkele getuigen, op wier verklaringen het tribunaal prijs stelde, niet waren verschenen. Het deed de voorzitter, zo hij zesde, genoegen, dat besch. in een aan hem gericht schrijven toch de beschuldiging erkende, dat hij aan zekere Olthuis in Rotterdam, een briefje gestuurd had, waarin hij vroeg of er niets gedaan kon worden tegen D. Fonkert, die zich verheugend uitgelaten had over het vermoorden van een N. S.B.’er. S. had een dag daarna echter Olthuis aangesproken, aldus een verklaring van Olthuis, waarbij Schipper zeide, dat Olthuis dit briefje als ongeschreven moest beschouwen. Olthuis had het briefje echter nooit ontvangen. De oorzaak hiervan was de Rotterdamse Wachtmeester der gemeentepolitie G. A. van Zuyen, die toendertijd brieven onderschepte en deze ter beschikking van de diverse tribunalen stelde. Bij deze onderschepte epistels behoorde ook bovengenoemd schrijven aan Olthuis, aldus de getuigenverklaring van Van Zuyen. Tevens verklaarde deze, dat hij nooit een ander briefje van Schipper bij de brieven gevonden had. J. Bongers, ass. accountant te Oud-Beljerland, gelijk in de beschuldiging staat, verklaarde, dat S. tegen v. d. Marel op ’t gemeentehuis toen Bongers daar verschijnen moest gezegd zou hebben: „Denk erom, dat je tegen de burgemeester zegt, dat het een fel anti-Duits persoon is, die geweigerd heeft om de loyaliteitsverklaring te tekenen, en dat je er op aan dringt, dat hij moet gaan spitten”, hetwelk besch. ontkende. A.B. Wijntje, student te Oud-Beijerland bevestigde dat Schipper rond 5 Mei 1945 toen get. door de Duitsers meegenomen werd omdat deze zijn oom, wien zij wilden arresteren, niet konden vinden, de opmerking gemaakt heeft dat de oom, Van Steensel, 1e ambtenaar ter secretarie, ,,tien minuten geleden nog huis was”. Besch.’s vrouw, die bij haar man was, toen deze bovenstaande gezegd zou moeten hebben, vertelde hoe er tegelijkertijd bij Van Steensel en hen een huiszoeking plaats vond. Toen men get. Wijntje voorbij voerde, was een der Duitsers naar haar man toegekomen, menende, dat hij de gemeente-secretaris was. Toen besch. zich gelegitimeerd had, aldus de verklaring van mevr. Schipper, had hij zich geërgerd en gezegd: „die Jongen moet je niet meenemen, die oom kan nog niet weg zijn, hij was zoeven nog hier”. S. kon zich dit verloop niet meer herinneren en get. bleef bij zijn verklaring. N,a. van de beschuldiging, dat Schipper aan de Landwacht inlichtingen verstrekt zou hebben waardoor de Grüne Polizei en leden van de Duitse Weermacht met de Landwacht een huiszoeking deden bij J. Hoogvliet te Oud-Beijerland, verklaarde deze, als getuige, dat. hij op een nacht wakker werd omdat bij Schipper zo gebeld werd. Er werd toen opengedaan, nadat er geroepen was: doe maar open, ’t is landwachter Moerman van Abbenbroek. Even waren de landwachters binnen geweest, toen waren ze weer weggegaan uit het Zandpad en wat later weer teruggekomen om vervolgens een huiszoeking in Hoogvliets schuur te doen waar zekere Verweel geëvacueerd was. Deze get. verklaarde voorts, dat besch. aan het dochtertje van Verweel gevraagd zou hebben waar haar vader was, maar het kind had hierop nooit geantwoord, Besch, ontkende ooit Verweel gezien, of diens dochtertje aangesproken te hebben. Later had hij gehoord, dat zijn dochtertje wel eens met bedoeld meisje speelde, daar het buurkinderen waren. Get. Hoogvliet zeide voorts, dat Schipper ook eens aan een huiszoeking bij W. Benne, losarbeider te Oud-Beijerland had meegedaan. Hij had dit van Benne zelf vernomen enkele weken geleden. Besche ontkende dit. Vervolgens werd get. Benne gehaald, die verklaarde, dat Schipper eens bij hem was komen vragen naar een konijnenhok, maar Benne had er geen te koop. Enkele dagen daarna zou S., al-dus B. een huiszoeking bij hem hebben gedaan in gezelschap van de S.D. en Van Hees. Get. zelf was toen niet thuis maar sliep „ergens anders”, maar get.’s -vrouw, die toen alleen thuis geweest was, en die thans gehoord werd, bevestigde de verklaring, zij achtte een persponsverwisseling uitgesloten. Besch. ontkende de beschuldiging ten stelligste en meende, dat, te goeder trouw waarschijnlijk een mijneed afgelegd werd. Hierna verklaarde Benne, dat hij bij de P.O.D. direct na de bevrijding een aanklacht ingediend had. Om dit te controleren werd P. Lips, P.R.A. opsporingsambtenaar te Oud-Beijerland erbij gehaald, die verklaarde van Benne wel een en ander gehoord te hebben, maar Benne zou toondertijd geen aanklacht ingediend hebben. Besch. noemde de verklaring, dat hij aan een huiszoeking zou hebben deelgenomen, volkomen onwaar, omdat hij nooit aan razzia of huiszoeking meedeed. Het tribunaal kon zich indenken dat Besch. a. h. w. vecht voor zijn leven, maar, aldus sprak het bij monde van de voorzitter, tegen feiten valt niet te vechten; en hier zijn onder ede afgelegde verklaringen. Besch. bleef ontkennen en zeide, dat hij voor 100% de waarheid sprak. Donderdag 2 October zal de behandeling van deze zaak voortgezet worden.



Vervolg aanklacht 3 oktober 1947

De Dinsdag j.l. uitgestelde zaak tegen B. W. Schipper, koopman te Oud-Beijerland, werd thans voortgezet. Naar aanleiding van de Dinsdag afgelegde verklaring van W. Benne, waarin deze zeide, dat B. W. Schipper met Van Hees en Van der Sloot een huiszoeking bij hem zou hebben gedaan, waren Van Hees en Van der Sloot gehoord. Deze verklaarden nooit met B. W. Schipper een huiszoeking gedaan te hebben en dus ook niet bij genoemde Benne. Aangaande het orgelconcert, dat besch. voor leden van de Duitse weermacht gegeven zou hebben, vertelde besch. nogmaals, dat hij op initiatief van de toenmalige ortskommandant Ammann het concert gegeven heeft. Echter had hij bepaald, dat de kerk, waarin dit concert zou plaats vinden, voor iedereen toegankelijk zou zijn en het concert, dus voor de gehele bevolking gegeven zou worden. Van A. de Vroedt was er in dit verband een verklaring, waarin deze zegt, dat hij eens bij de Ortskommandant geroepen was en toen onderhouden werd over zijn afwijzende houding tegenover genoemd concert. De ortskommandant had hem toen verteld, dat Schipper aangegeven zou hebben, dat get. De Vroedt zo tegenover het concert stond. Besch. ontkende iets van deze houding van A. de Vroedt geweten te hebben vóór de ortskommandant hem verteld had van zijn onderhoud met De Vroedt. Betreffende de verklaring van J. Bongers zeide besch. hierop niet met zekerheid een antwoord te kunnen geven. Hij had toendertijd geen sympathie voor het optreden van deze getuige, waardoor het wel mogelijk was, dat hij zich op een wijze als door B. genoemd had uitgelaten. Hierna wees de voorzitter op dat deel van de lijst met namen voor Hollenstein waar staat, dat zekere van Arkel zijn zaak uit protest tegen de Duitse handelwijzen „hedenmiddag heeft gesloten”. Op de lijst staat tevens, dat A. de Vroedt zeer anti-Duits is. Tot staving hiervan had besch. achter de naam Van de Vroedt gezet, dat deze het Engelse bombardement van Rotterdam de schuld van de „rot-moffen” noemde. In verband hiermede bracht het tribunaal een verklaring naar voren van bedoelde De Vroedt, waarin deze zegt in het begin van de oorlog met Schipper in een twistgesprek geraakt te zijn en toen de woorden, welke Schipper op de lijst noemt, gezegd te hebben, waarop Schipper verstoord zou zijn vertrokken. Besch. zeide hierop weer, dat de bijschriften dienden om Hollenstein zand in de ogen te strooien en hem te doen geloven, dat besch. het ernstig meende. Echter was besch. er zeker van, dat met de mensen op deze lijst niets gebeuren zou. Besch. zeide voorts, dat het zijn bedoeling geweest was om in de toen zo critieke tijd mensen te redden. Wannéér hij personen had willen wegwerken, aldus besch. had hij dit wel op een andere manier kunnen doen. Er was echter nooit iets gebeurd. Hierna gaf het tribunaal het woord aan de advocaat, Mr. Van Drooge uit Dordrecht. Deze begon met het tribunaal zijn erkentelijkheid ervoor te betuigen, dat het zich zoveel moeite getroost heeft om de waarheid te vinden. Spr. vertrouwde dan ook volkomen dat het tribunaal deze zaak objectief zou beschouwen, Vervolgens deed spr. mededeling van verschillende schriftelijke verklaringen. 71 burgers van Oud-Beijerland ondertekenden een verklaring, waarin zij zeggen verplichtingen aan Schipper te hebben voor zijn handelen als leider van de Centrale Keuken. Verder waren er verklaringen, waarin men spreekt over besch.’s goede zorgen o.a. voor de hier vertoevende, rondtrekkende gasten van de N. H. kerk uit Rotterdam, die besch. van een warme maaltijd voorzag. H. Groenewoud verklaarde schriftelijk hoe hij in Oostvoorne moest gaan werken en dan zijn kleine kinderen een hele week alleen thuis moesten zijn, wat niet mogelijk was. Een vrijstelling kon hij maar niet krijgen en teneinde raad had hij Schipper zijn nood geklaagd, welke direct voor een vrijstelling zorgde, zodat Groenewoud thuis kon blijven. Van L. en W. van Dienst en P. Leeuwenburg waren verklaringen aanwezig, waarin deze beschreven hoe zij in hun onderduikplaats een keer door Schipper verrast werden. Schipper had hiervan nooit enig werk gemaakt. Deze brieven geven feiten, aldus spr., de papieren aan het tribunaal overhandigende, en uit deze feiten blijkt toch wel, dat Schipper een man is, die klaar staat om andere mensen te helpen, aldus de raadsman. Het verhaal van Benne, aldus de verdediger, raakt kant noch wal, gezien de verklaringen van Van Hees en Van der Sloot. Hier ziet men nu, vond spr., hoe voorzichtig men moet zijn met getuigenverklaringen over voorvallen, die lang geleden gebeurd zijn. Lang hebben deze voorvallen de gelegenheid gehad, aldus spr., om te roeren in het gemoed van de personen, en ze hebben er een stemming van wrok en haat veroorzaakt. Ze blijven stoken, net zo lang tot het gevoel van „die man moet er aan” bevredigd is. Toen de verdediger in Oud-Beijerland op onderzoek ging, zo vertelde hij, ontdekte hij een vijandige stemming. Het bleek hem dat de oorzaak hiervan het soms agressieve optreden van besch. was. Besch., aldus mr. van Drooge, is een man, die wanneer hij iets aanvat dit ook goed en grondig doet. Hij heeft zijn best gedaan om te voorkomen, dat in Oud-Beijerland ongelukken gebeurden door de bezetting, en dit is besch. gelukt vond de raadsman en hij vervolgde: om dit te doen gelukken heeft mijn cliënt wel eens maatregelen moeten nemen, die voor bepaalde mensen nu niet zo prettig waren, maar waardoor toch nooit ongelukken veroorzaakt werden. En voor dit werk, zo meende de verdediger, verdient Schipper de dank van heel Oud-Beijerland. Hierna ging Mr. Van Drooge over tot de behandeling van enkele punten van de ten laste legging en vatte als eerste onderwerp aan: het orgelconcert. In de beschuldiging staat, dat besch. dit gegeven zou hebben voor leden van de Duitse Weermacht. Dit is echter niet zo, zoals besch. zelf al heeft uitgelegd, aldus de raadsman, maar, vroeg deze vervolgens de heren van het tribunaal, hebt u het programma van dit concert wel bekeken? Het opent met de woorden: Toegankelijk voor iedereen en dan volgt het programma, dat werken van Bach, Händel enz. bevat. Spr. noemde deze muziek, muziek, waaruit een verzachting spreekt, een verzet tegen alle ruwheid, en dit hadden verschillenden onder de aanwezigen, n.l. de Duitsers, heus wel nodig meende de verdediger. Daarna deed de raadsman het tribunaal zich voorstellen hoe het wel geweest moet zijn, toen besch. aan het einde van de avond, na eerst wat gepreludeerd te hebben op het Wilhelmus, deze bekende melodie tenslotte voluit door het kerkgebouw liet weerklinken en spr. stelde zich voor, dat hij, wanneer hij daar in dat kerkgebouw die vertrouwde klanken had horen dreunen, was gaan staan, en met hem vele anderen en hoe zij eerbiedig geluisterd hadden; dit, terwijl de Duitsers erbij waren. Het is gevaarlijk geweest, datgene wat besch. deed, aldus de raadsman, maar, zo vroeg deze grijze meester in de rechten, was het verkeerd, onvaderlandslievend, in strijd met de belangen van het Nederlandse volk, deed besch. afbreuk aan het verzet tegen de vijand, zoals in de acte van beschuldiging geschreven staat? De raadsman betreurde het, dat zijn cliënt niet dadelijk erkend heeft, dat hij het briefje aan Olthuis met de klacht tegen D. Fonkert Jr. geschreven heeft. Spr. meende, dat besch. toen hij van de uitlating op het verjaardagsfeestje hoorde geprikkeld werd en zich had opgewonden over de onvoorzichtigheid van de mensen, terwijl hij zelf aan de andere kant al het mogelijke deed om ongelukken te voorkomen. In zijn opgewondenheid, aldus de verdediger, heeft Schipper dit briefje aan Olthuis geschreven, maar is ook direct toen hij er berouw van kreeg, naar Olthuis toegegaan, om het epistel ongedaan te maken. Hoewel Olthuis van het voorval hoorde van Schipper persoonlijk, toen deze hem vroeg er geen werk van te maken — het briefje zelf ontving Olthuis niet, dit was onderschept — is er niets gebeurd, aldus spr. De aansluiting op het lichtnet heeft mijn cliënt niet gekregen omdat hij vriendschappelijk met Duitsers omging, aldus de raadsman, maar omdat er veel administratief werk aan de Centrale Keuken verbonden was. Aangaande de lijst met namen, door Schipper samen met Beijer opgesteld, welke slechts een uittreksel van een andere, veel grotere lijst zou zijn, merkte mr. Van Drooge op, dat in de beschuldiging hierachter staat: zulks, terwijl hij wist, dat dit voor de betrokkenen hoogst ernstige gevolgen kon hebben, en, aldus de raadsman, dit laatste is niet het geval. Schipper was er juist zeker van, dat met de genoemde personen niets gebeuren zou. Er is ook niets met hen gebeurd, en dit noemde de verdediger de proef op de som. Het oproepen van spitters zou zonder besch.’s medewerking niet mogelijk geweest zijn, daar het bevolkingsregister verdwenen was, aldus las de verdediger uit de beschuldiging; maar, zo vervolg-de spr., Schipper heeft dit werk juist gedaan om een selectie te kunnen toepassen en om te voorkomen, dat gijzelaars genomen zouden worden. Spr. wees op de waarschijnlijkheid, dat de Duitsers lukraak mensen van de straat opgepikt zouden hebben, waaronder er wel geweest zouden zijn, wien het spitten minder gemakkelijk afging dan menig andere jongeman, die niet aan het spitten gezet was. Daar Schipper zelf instond voor het regelmatig verloop van het graafwerk, had hij, aldus de raadsman, tevens voorkomen dat gijzelaars genomen werden. Dat besch. J. Bongers aan het spitten wilde zien was in dit verband ook zeer begrijpelijk, vond Mr. Van Drooge daar deze man geen vrouw of kinderen had, in tegenstelling met vele andere „spitters”. De advocaat wees er nogmaals op hoe zijn cliënt „er naar gestreefd heeft om de bevolking van Oud-Beijerland te beschermen voor de Duitse grillen” en hoopte, dat thans een ander licht ontstoken was over de daden van een man, die uit domheid, omdat hij het gezwets van de N.S.B.’ers niet doorzag, toetrad tot die organisatie. Na erop gewezen te hebben, dat besch. thans 2 1/2 jaar gedetineerd is, terwijl zijn gezin met alle mogelijke moeilijkheden te kampen heeft gehad en heeft, vroeg de raadsman indien mogelijk een onmiddellijke invrijheidstelling en anders een voorwaardelijke detentie, opdat beschuldigde de gelegenheid gegeven worde te tonen, dat hij goed wilde en wil. Het tribunaal achtte na beraadslaging in gesloten zitting geen termen aanwezig om besch. onmiddellijk in vrijheid te stellen en bepaalde de uitspraak op 14 October a.s.

Uitspraak 15 oktober 1947

Tijdens deze zitting deed het tribunaal uitspraak in de zaak tegen B. W. Schipper, koopman te Oud-Beijerland. Niet bewezen verklaard achtte het tribunaal de beschuldiging, dat besch. lid van het Agrarisch Front geweest zou zijn; een schenking aan de V. D. gedaan zou hebben; door zijn vertrouwde ‘omgang met de Duitsers zijn aansluiting op het lichtnet behouden zou hebben en de Landwacht inlichtingen gegeven zou hebben voor de huiszoeking bij Hoogvliet. Gezien de persoon van besch., moet zijn toetreden tot de N.S.B. verklaard worden uit zijn moeilijke financiële en economische omstandigheden, aldus het tribunaal, waardoor hij zeer vatbaar was voor de verderfelijke invloed van de N.S.B. propaganda. Aangaande het orgelconcert maakte het tribunaal besch. het verwijt, dat hij had moeten inzien, dat de bedoeling hiervan was: een verbroedering van Nederlanders met de vijand. De dreigende strekking van de brief aan de heer Visser over de positie van besch.’s broer kan niet ontkend worden, vond het tribunaal vervolgens. Daar het schrijven over de burgemeester van Oud-Beijerland aan de heer Kingma gericht was, die niet als een fel voorstander van de nieuwe orde bekend stond, had deze brief voor de heer Diepenhorst geen kwade gevolgen gehad. Het tribunaal was van mening, dat besch. geen bezwaren had om met de vijand mee te werken, gezien de brief inzake H. Groenewoud. De handelwijze van besch. inzake het schrijven van het briefje over de heer Fonkert, meende het tribunaal te moeten verklaren besch.’s impulsief karakter, waardoor hij handelt naar zijn indrukken van het ogenblik, waarvan hij later spijt krijgt en tracht de gedane stappen weer ongedaan te maken. Wanneer de voorstelling van zaken van besch. inzake de lijst met namen, door hem, in samenwerking met S. Beijer opgesteld, juist mocht zijn — een voorstelling, die door geen enkel bewijs wordt gestaafd — dan is het het tribunaal wel opgevallen, zo verklaarde het, dat er aantekeningen op staan van besch. persoonlijk en niet afkomstig van de lijst van Hollenstein, zoals die bij A. de Vroedt en J. van Arkel. Het tribunaal kon zich niet onttrekken aan de indruk, dat besch. zodoende zijn afkeer tegen bepaalde personen heeft gedemonstreerd maar daarnaast verloor het niet uit het oog, dat geen der op de lijst voorkomende personen iets is overkomen. Het tribunaal was niet van mening, dat er inzake besch.’s werkzaamheden op de secretarie van Oud-Beijerland van een dwang gesproken kan worden, daar besch. op zeer goede voet stond met den ortscommandant, die hem de opdracht gegeven had. Aangaande het putjesgraven had het tribunaal de indruk, dat besch. bij voorkeur voor dit werk personen aanwees, welke hij antipathiek gezind was. Samenvattende was het tribunaal van mening, dat besch. zeer zeker in de bezettingstijd, iemand was, die door zijn politieke opvattingen, gepaard aan zijn impulsieve natuur en zijn neiging om personen, met wie hij onenigheid of wrijving had onaangenaamheden te bezorgen, gevaar opleverde voor zijn omgeving. Hiertegenover stelde het tribunaal echter, dat besch. zich door zijn idealisme heeft laten leiden, en een groot sociaal gevoel heeft, blijkende uit het vele goede werk, dat besch. in de hongerwinter heeft verricht. Het tribunaal deed, nadat het had opgemerkt, dat besch. heeft ingezien, dat hij met zijn idealisme op een dwaalspoor is geweest, de volgende uitspraak: Internering van 4 jaar met aftrek van de tijd reeds in detentie doorgebracht. De periode van 14 April ’48 tot 8 Mei ’49 als voorwaardelijke detentie met een proeftijd van 3 jaar. De onvoorwaardelijke detentie eindigt dus 14 April ’48. Tevens werden besch. de rechten van kiezen of verkiesbaar zijn, van dienen bij de gewapende macht en van openbare ambten bekleden, ontzegd en zal besch. zich gedurende de proeftijd moeten stellen onder toezicht van de Stichting toezicht politieke delinquenten.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *