1947 – Geen verrader

Facebooktwitter

Terug naar de indexpaginaUitleg over tribunaalverslagen in de krant

J. v. d. Linden, landarbeider te Strijen

Aanklacht 30 mei 1947

De beschuldiging tegen J. v. d. Linden, landarbeider te Strijen, verluidde dat hij in Dec. ’44 tijdens een verhoor, hem afgenomen door de Duitser Schröder, gezegd zou hebben: „Ach mensen, wij zijn toch zo pro-Duits. Kijk liever eens naar het hoofd van de Openbare School, Perduin” of woorden van gelijke strekking, waardoor de heer Perduin enkele dagen later gearresteerd zou zijn. Voorts, dat hij in Jan. ’45 verschillende boeren zou hebben aangezegd, dat zij voor de Duitsers moesten rijden, dat hij zeven paar schoenen van een Duitser had aangenomen en verder vertrouwelijke omgang gehad zou hebben met Duitsers. Besch. verklaarde, dat men hem in Dec. ’44 gevangen gezet had te Strijen, omdat hij, volgens N.S.B.-ers, die wraak op hem wilden nemen, een fiets gestolen had. Twee dagen lang had men hem op Duitse manier verhoord. Hij was mishandeld met een ploertendoder en men had hem geschopt, gestompt en geslagen met een geweerkolf om toch maar van hem te vernemen, waar de gestolen fiets zich bevond. Besch. kon dit echter niet zeggen, omdat hij het niet wist. Hij had echter ook geen woord gezegd over ondergrondse of pro-Duitsheid, maar slechts gescholden op de Duitsers, waardoor hij nog meer slaag kreeg. Aangaande het aanzeggen bij boeren, dat zij voor de weermacht moesten rijden, verklaarde besch. dit op aandrang van zekere N.S.B.-er Bijl gedaan te hebben, die hem en nog iemand een lijstje met vijftig namen had gegeven, waarvan zij er slechts drie bezocht hadden. Deze boeren had besch. echter gelegenheid gegeven te verklaren, dat het hen onmogelijk was te rijden, omdat er geen materiaal was en met deze onbenullige uitvlucht had besch. Bijl tevreden weten te stellen. De zeven paar schoenen, waarvan zes paar voor zijn zes kinderen, die op blote voeten rondliepen en een paar werkschoenen voor hemzelf, had besch. aangenomen, omdat hij ze zo heel goed gebruiken kon. Nu had hij daar echter wel spijt van. Dat hij op vriendschappelijke voet met Duitsers omgegaan zou zijn, ontkende besch. ten stelligste. Nooit had hij met de Duitsers iets opgehad en hij had ze altijd als zijn vijanden beschouwd. Een en ander klopte niet met het verbaal, destijds door de P.O.D. ambtenaar Markus opgemaakt, en de voorzitter vroeg of de verklaringen destijds door besch. wel in volle vrijheid waren afgelegd. Besch, antwoordde hierop, dat hij een paar klappen in het gezicht gekregen had van bedoelde ambtenaar. „En deed. hij dat om u een verklaring te doen afleggen?” „Dat zal wel, anders doen ze zulke dingen niet. Maar ’t was toen zo’n toestand dat ik, als ze me iets vroegen, maar ja zei, dan was ik er af.” Nogmaals legde besch. er de nadruk op, dat hij nooit met Duitsers vriendschappelijk was omgegaan. Eens had hij voor hen moeten werken, wat hij geweigerd had. Men had hem toen afgeranseld en tenslotte via de Feldgendarmerie overgeleverd aan de S.D. Hij had toen 10 dagen op het Haagsche Veer doorgebracht. Getuige Van der Pligt, destijds ge-meentebode te Strijen, verklaarde, dat hij — toen hij in de stookgelegenheid was naast de cel, waarin besch. verhoord werd — besch. op huilende toon -had horen zeggen, dat de Duitsers beter naar de ondergrondse konden kijken, naar een hoofdonderwijzer in de Nieuwstraat. Get. had daarop direct de heer Perduin gewaarschuwd. Get. had besch. echter geen naam horen noemen. Het was hem aan het lawaai duidelijk geweest, dat besch. geducht afgeranseld werd tijdens het verhoor. Getuige J. Nooteboom, kellner te Rot-terdam, die in een andere cel bevangen had gezeten, had Schröder opgewonden horen praten. Ook hij had de indruk gekregen, dat er erg geslagen werd. Hij had z’n oren gespitst en meende toen te horen spreken over een kapitein van het Hollandse leger en over de Nieuwstraat. Toen Van der Pligt langs zijn cel kwam, had hij hem zijn vermoeden, dat hier sprake was van de heer Perduin, geuit. Ook deze verklaring kwam niet helemaal overeen met het proces-verbaal en de raadsman vroeg get. hoe het P.O.D.-verhoor zich destijds had afgespeeld. „Nou”, was het antwoord van get., „ze kwamen bij me en zeiden: dat en dat heeft Van der Pligt verklaard en dat is zeker wel zo hé?” De voorzitter constateerde hierop, dat er bij de verhoren, leidend tot het opmaken van een proces-verbaal, dus in een bepaalde richting gedreven was. De raadsman, mr. Van Tricht, vond eveneens, dat de verklaringen niet in volle vrijheid waren afgelegd, maar noemde het anders en wel een verklaring afpersen. Het feit van de schoenen achtte pleiter volkomen begrijpelijk en wat betreft het aanzeggen van boeren: Bij de drie mensen waar besch. geweest was had hij slechts goeds gedaan. Als hij deze boodschappen niet verricht had zou Bijl er trouwens wel een ander voor gevonden hebben, die heel wat meer narigheid zou hebben kunnen veroorzaken. Het leek spr. voorts het beste om de processen-verbaal van de P.O.D. ambtenaren zo klein mogelijk te verscheuren, opdat er niets van overbleef en men slechts te maken had met de verklaringen, thans ter zitting gegeven. De officier-fiscaal had indertijd deze zaak als een verraadszaak beschouwd doch de advocaat-fiscaal was dit niet met hem eens geweest en tenslotte was de zaak dan niet naar het Bijzonder Gerechtshof, doch naar het Tribunaal verwezen. Spr. meende, dat uit de onder ede afgelegde verklaringen de heren van het tribunaal. niet konden bewijzen dat hier kwestie van verraad was. Dat besch. helemaal niets gezegd zou hebben, kon de verdediger niet aannemen, maar wat er dan ook wel gezegd mocht zijn: dit was gedaan in de angst en pijn van het ogenblik, tijdens een Duitse afranseling. De raadsman legde van de heer Perduin een schrijven over, waarin deze verklaarde, geen enkele last ondervonden te hebben van door besch. eventueel geuite aanwijzingen. Na het tribunaal nog ervan in kennis gesteld te hebben, dat besch., wanneer hij vrij kwam, direct aan het werk kon gaan, verzocht de verdediger onmiddellijke invrijheidstelling, aan welk verzoek het tribunaal, na in raadkamer te hebben vergaderd, voldeed.

   

Uitspraak 13 juni 1947

J.J. v.d. Linden, landarbeider te Strijen, interneering tot 28 Mei 1947. 

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *