1947 – Gedwongen of vrijwillig helper van de Duitschers

Facebooktwitter

Terug naar de indexpaginaUitleg over tribunaalverslagen in de krant

H. Kruithof te Strijen

Aanklacht 5 februari 1947

De tenlastelegging van H. Kruithof, loondorscher te Strijen, vermeldde, dat beschuldigde motoren en tractoren zou hebben, dat dit koolzaad terug gebracht waarop deze tot vordering overgingen. Ook zou hijzelf op naam van de Duitschers gevorderd hebben. Voorts zou hij een hoeveelheid koolzaad gehad hebben, waarvan P. Meerdink zei, dat het zijn eigendom was. Meerdink had dit zaad bij den perser vandaan laten halen en toen Kruithof dit wist zou hij gezegd hebben dat dit koolzaad terug gebracht moest worden en dat hij anders met de Duitschers terug zou komen om het te halen. Toen hij het zaad niet meekreeg zou hij werkelijk met een N.S.K.K.-man dit zaad gehaald hebben, dat met een Duitsche auto verder vervoerd zou zijn. Beschuldigde ontkende echter opdracht gegeven te hebben dit zaad te halen. Aangaande de vorderingen vertelde K. dat hij, toen hij op ‘n avond thuis kwam, hoorde, dat de tractor gevorderd was en in de schuur gestationneerd moest blijven. Hij zou toen dadelijk naar het Sonderkommando gegaan zijn en men zou hem daar gezegd hebben dat hij maar met den tractor van zekeren Visser moest werken, en de zijne gereed houden voor eventueele sleepdiensten, die verricht zouden moeten worden, wanneer het Sonderkommando wagens zou vorderen. Hij zou echter maar éénmaal voor de Duitschers gesleept hebben, maar nooit gevorderd. De Duitschers zouden hem gedwongen hebben verschillende ritten mee te maken om hun den weg te wijzen en daar zijn twee broers thuis ondergedoken waren wilde hij geen enkel risico loepen. Hij had echter verschillende menschen geholpen waardoor …… houden, van welke personen de raadsman verklaringen overlegde. Van zekeren Kooiman, thans in Indië verblijvend; was een verklaring ter zitting, die er van sprak, dat, wanneer de Duitschers wagens gingen vorderen (hij zelf was als monteur door hen gevorderd) Kruithof er meestal bij was, die dan vaak de schuilplaatsen aanwees waar de auto’s verstopt waren. Uit gesprekken, die Duitschers met K. hadden, bleek hem wel dat K. de hand had in de vorderingen en eens zou een Duitscher gezegd hebben, toen Kooiman hem vroeg hoe of zij toch alles wisten, dat je daar je mannetjes maar voor moest hebben, waarmede ze kennelijk Kruithof bedoelden. Een verklaring van A. M. Bruggeman luidde dat K. erbij was toen de Duitschers zijn wagen kwamen vorderen en toen hij tegen K. zei: Jij weet toch wei dat ik geen auto heb? had K. ontwijkend geantwoord door te zeggen daar niet mee op de hoogte te zijn. De Duitschers voerden toen een gesprek met K. en toen ze terugkwamen had Bruggeman het gevoel verkocht te zijn en hij erkende maar een auto te hebben. Slager v.d. Pligt’s auto was gevorderd en hij vond deze terug in een garage in Dordt. Toen hij een scheldnummertje ten beste had gegeven zei de Duitscher die hem te woord stond: „Daar kan ik niets aan doen, dat heeft Henny gedaan”, aldus verklaarde v. d. P. thans onder eede, terwijl in zijn schriftelijke verklaring stond, dat de Duitscher had gezegd dat Kruithof het gedaan had. De heer Burggraaf verklaarde dat hij in het half jaar, dat hij voor de Duitschers had gewerkt in de Hoeksche Waard, vaak Kruithof had gezien bij Duitschers, die aan het vorderen waren, Een Duitscher had eens tegen hem gezegd, dat Kruithof hen vertelde, waar de tractoren verborgen waren. De raadsman, mr. Van Tricht, vond dat de zaak er nu voor verdachte heel anders uitzag dan aan het begin van de zitting, daar de kroongetuige v. d. Pligt nu niet sprak van Kruithof maar van Henny en zoo werd K. nooit door de Duitschers genoemd. Ook van de verklaring van Bruggeman was niet veel overgebleven: het waren allemaal maar gevolgtrekkingen van den man zelf ge-weest, dat Kruithof verraden moest hebben, waar de auto was, aldus spr. K. had volgens mr. Van Tricht slechts den weg gewezen aan de moffen toen deze met een lijst met namen en adressen hem dwongen dit te doen, wat niet getuigde van veel moed, maar had het niet velen hieraan ontbroken, toen het ging om kleedinginlevering, wachtloopen, enz.? vroeg spr. Wat betreft het koolzaad, dit was een zaak, die toentertijd reeds enkele malen gediend had. Deze zaak had betrekking op een reeds overleden broer van Kruithof, die het zaad langs ongewonen weg had weten te koopen. Erop wijzend dat zijn client reeds 19 maanden gedetineerd was, vroeg de raadsman onmiddellijke invrijheidstelling. Het tribunaal achtte, na beraad, hiervoor geen termen aanwezig en bepaalde de uitspraak op 13 Febr, as.

Uitslag 14 februari 1947

H. Kruithof te Strijen: Interneering voor den tijd van 2 jaar.

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.