1946 – Het huis was Joodsch bezit

Facebooktwitter

Terug naar de indexpaginaUitleg over tribunaalverslagen in de krant

C. van Ruiven te Oud-Beijerland

Aanklacht en uitspraak 28 augustus 1946

Den expediteur C. van Ruiven te Oud-Beijerland werd tenlaste gelegd, dat hij in 1943 een Jodenhuis heeft gekocht en dat hij vrijwillig voor de Duitsche Weermacht heeft gereden. Beschuldigde merkte op, dat hij nimmer zeker heeft geweten, dat het huis Joodsch bezit was. Hij kon het slechts vermoeden. Er kon best ander kapitaal in het huis gezeten hebben, zooals dit met een ander huis in Oud-Beijerland het geval was. Hij wist ook niet, dat het makelaarsbureau, dat hem het huis verkocht had, uitsluitend transacties betreffende Jodeneigendommen behandelde. Wat het rijden voor de Weermacht betreft, merkte hij op, dat hij dit noodgedwongen had gedaan. Voor de voedselvoorziening en voor de illegaliteit had hij trouwens ook gereden. De verdediger zeide, dat zijn cliënt in zijn indruk, dat het betreffende huis geen Jodenhuis was, versterkt was geworden, omdat de notaris te Oud-Beijerland aan het transport medegewerkt had. Voorts wees hij er op, dat er een hypotheekhouder is, die Van R. aan het geld hielp, zoodat men moeilijk kan beweren, dat Van R. het huis kocht om zwart geld te spuien. Mr. Van Tricht betwistte de tenlastelegging, dat zijn cliënt vrijwillig voor de Weermacht zou hebben gereden. Hij vestigde er de aandacht op, dat men gearresteerd werd, wanneer men zich aan het rijden onttrok, zoodat er behalve noodzaak. dwang aanwezig was. Na nog gewezen te hebben op hetgeen zijn client voor de illegaliteit deed in zijn kwaliteit als vrachtrijder, enkele punten uit de jongste radiorede van den minister van Justitie te hebben aangehaald, vroeg hij onmiddellijke invrijheidstelling. Het Tribnaal deed direct uitspraak en veroordeelde Van R. tot verbeurdverklaring van diens vermogen tot een bedrag van f 10.000, terwijl het zijn onmiddellijke invrijheidstelling gelaste.

 

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.