1946 – Gevangene in Duitsland en Nederland

Facebooktwitter

Terug naar de indexpaginaUitleg over tribunaalverslagen in de krant

Simon van Rees te Klaaswaal

Aanklacht 24 juli 1946 

De chauffeur Simon van Rees te Klaaswaal moest zich verantwoorden, omdat hij vrijwillig als chauffeur dienst heeft gedaan bij de Duitsche Weermacht van Juni 1940 tot 1942 en omdat hij van 1942 tot de capitulatie een functie heeft bekleed bij de Organisation Speer. Beschuldigde gaf de ten laste legging toe en verklaarde via het Reichsverkehrministerium bij de Organisation Speer terecht te zijn gekomen. Hij zeide, dat de nood hem er toe gedrongen had zich vrijwillig als chauffeur bij de Weermacht te melden. Zijn vader zat in zijn bedrijf voor hooge lasten en hij moest zien voor zich en zijn ouders de kost te verdienen; de mooie voorspiegelingen hadden hem naar de Weermacht gelokt. Overigens had hij gesaboteerd waar hij kon; toen hij met zijn auto naar het front in het Westen moest had hij het voertuig met opzet tegen een boom gereden. Als gevolg van zijn houding had hij enkele malen in Duitsche gevangenissen gezeten en o.m. eenigen tijd in het concentratiekamp Oraniënburg doorgebracht. Tijdens zijn verlof in Holland wilde hij niet onderduiken, omdat hij zijn vrouw en zijn kind, die in Duitschland verbleven, niet in den steek wilde laten. De raadsvrouwe van beschuldigde, mr. Van den Berg, haalde een boek aan van een bekende journaliste, waarin er den nadruk op gelegd wordt, dat men genade voor recht moet laten gelden. Voorts wees zij op de moeilijke omstandigheden waarin haar client had verkeerd voor hij zich bij de Weermacht aanmeldde en op het feit, dat hij nimmer wapens had gedragen. Zij was van meening, dat haar cliënt met de gevangenisstraf in Duitschland en de interneering in Nederland al genoeg gestraft was en verzocht het tribunaal hem een straf op te leggen gelijk aan den tijd in interneering doorgebracht.

Uitspraak 7 augustus 1946

S. v. Rees, chauffeur te Klaaswaal: interneering met het advies aan de bevoegde autoriteiten deze te beperken tot 1 October 1947; ontzetting uit de beide kiesrechten, het recht om bij de gewapende macht te dienen en openbare ambten te bekleeden.

Geen fiat verleend – Vervolg 14 februari 1947

Simon van Rees, chauffeur te Klaaswaal, werd ervan beschuldigd, dat hij van Juni ’40 tot Juni ’41 als chauffeur voor de Duitsche Weermacht en vanaf Juli ’42 tot de capitulatie als Sturmmann bij de organisatie Speer werkzaam geweest zou zijn. Besch verklaarde in dienst getreden te zijn van de fa. Schilperoord te Zuid-Beijerland, van welke firma een vracht-wagen gevorderd zou zijn, welke wagen v. R. dan gedurende den tijd, dat hij gevorderd was, zou besturen. Hij zou dan f 60.- per week verdienen. Hij had bouwmaterialen voor de weermacht naar de vliegvelden bij Gilze-Rijen en Deelen gereden en er nooit bij nagedacht, zoo hij zeide, dat hij hulp verleende aan den vijand. Hij verdiende goed en was gelukkig nu hij z’n ouders uit de misère van schulden kon helpen. Het geld had voor hem steeds de grootste beteekenis gehad, erkende besch., maar toen de wagen van hem gevorderd werd om in het leger te rijden en hem werd gevraagd op den wagen te blijven, had hij, zoo hij zeide, pertinent geweigerd, omdat hij dan soldaat moest worden. Nadat hij eenigen tijd thuis geweest was en geen vast werk kon vinden, vertelde besch. verder, had hij een kennis ontmoet, die hem er opmerkzaam op maakte, dat men via het arbeidsbureau nogal eens geschikte betrekkingen kon vinden. Besch had zich toen in Rotterdam opgegeven als chauffeur en moest gaan werken bij het Reichsverkehrsministerium te Berlijn. Zoo hij zeide, had hij ook toen weer bouwmaterialen gereden. Hij kreeg toen de mededeeling, dat hij moest gaan werken voor de organisatie Speer, en omdat hij, zoo hij beweerde, daar geen zin in had, was hij door de Gestapo gehaald en had hij 6 weken in Oraniënburg gezeten. Toen hij daar vandaan kwam moest hij toch in dienst van de organisatie Speer en had hij meegeholpen aan het bouwen van barakken voor Hollandsche verlofgangers. Eens, zoo vertelde besch. verder, was hem bevolen naar het Rijnland te gaan, maar daar had hij niet veel voor gevoeld en, zoo hij beweerde, hij had even buiten Berlijn zijn wagen tegen een boom gereden, voor welk feit hij tot de capitulatie in de gevangenis had gezeten. Mr. van Marwijck Kooy, de raadsman, legde er den nadruk op, dat besch. een van de menschen was. die weliswaar aan den verkeerden kant stonden, maar besch. deed zulks niet om principieele redenen, doch louter om ’t geld, waarmede besch. zijn ouders in de gelegenheid stelde hun schulden te derven. Spr, onderscheidde 2 catagorieën in de menschen, die „het om het geld deden” en wel de „grooten” en de „kleinen”. De verdediger rangschikte zijn cliënt onder de „kleinen” en vergeleek zijn zaak met die van de „grooten”, die een zware geldboete hadden moeten betalen, maar die nu toch vrij rondliepen. Van Rees had echter, als „kleine”, geen geld overgehouden en moest het dus nu met interneering vergoeden, aldus spr. De verdediger vond dit echter onbillijk en deze onbillijkheid hadden naar spr. veronderstelde de hoogere autoriteiten waarschijnlijk ook aangevoeld, daar het fiat niet vèrleend was op de vorige uitspraak, die een interneering tot 1 Oct, 1947 inhield. Verder onderstreepte de verdediger het punt, dat zijn cliënt geweigerd had in dienst te treden als soldaat en de verschillende sabotages, door hem gepleegd, zooals het feit, dat Van Rees de auto tegen een boom gereden had. Spr. hoopte tenslotte op een spoedige in vrijheid stelling. 

Uitspraak 26 februari 1947

Simon van Rees, chauffeur te Klaaswaal, werden de beide kiesrechten ontnomen evenals het recht ambten te bekleeden of bij de gewapende macht te dienen. De interneeringsstraf welke hem werd opgelegd eindigde heden zoodat verd. in vrijheid werd gesteld.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *