1946 – Bijdrage aan de Nederlandsche ambulance

Facebooktwitter

Terug naar de indexpaginaUitleg over tribunaalverslagen in de krant

K. Hoogenboom te Oud-Beijerland

Aanklacht 25 september 1946

De koopman K. Hoogenboom te Oud-Beijerland moest zich voor verschillende feiten verantwoorden. Hij was lid van de N.S.B. van 1934 tot 1943, had bijdragen geleverd aan Winterhulp, Frontzorg en de Nederlandsche ambulance, zou in het Agrarisch front de functie hebben bekleed van Agrarisch raadsman en vakgroepleider, was lid van den Landstand en in die instelling contactman, zou lid geweest zijn van het N.A.F., was geabonneerd op verschillende Nat. Soc. bladen en zou zijn radiotoestel hebben kunnen behouden. Beschuldigde merkte op, dat hij in het Agrarisch front dezelfde functie had gekregen, welke hij in Landbouw en maatschappij steeds had vervuld: vakgroep-leider. Dat hij in feite Agrarisch raadsman was geweest, ontkende hij, Hij had er zijn naam eenigen tijd voor gegeven; eenigen arbeid had hij nooit verricht. Toen het Agrarisch front naar den Landstand was overgegaan, heette de functie van vakgroepleider daar contactman, vandaar, dat hem het bekleeden van tweeërlei functies ten laste werd gelegd, terwijl zij dezelfde waren; slechts de naam verschilde. Het tenlaste gelegde lidmaatschap van het N.A.F. noemde beschuldigde absurd. Hij vermoedde, dat de afkorting van het Agrarisch Front, die ook N.A.F. was, oorzaak was van het misverstand. De verschillende bladen had hij ontvangen uit hoofde van zijn lidmaatschap, terwijl hij opmerkte, dat, toen hij bedankt had voor de N. S. B., hij ook zijn radio-toestel vrijwillig had ingeleverd. Dat hij was opgehouden lid te zijn, omdat Italië zijn front keerde ontkende hij. Hij zeide in 1942 reeds schriftelijk bedankt te hebben. Toen werden evenwel geen bedankjes aangenomen; in 1943 kon dit wel, en van die gelegenheid had hij direct gebruik gemaakt Hij was uit de Beweging gegaan, omdat hij inzag, dat men niet nakwam, wat men beloofde. Tenslotte verklaarde hij, dat hij niet gewerkt had om menschen naar de Ostmark te krijgen, maar dat hij integendeel had bewerkt, dat er verschillenden niet naar toe gingen. Nadat de zitting eenigen tijd geschorscht was geweest om een getuige te horen, kreeg de verdediger, mr. Bakhoven uit Schiedam, het woord. Deze schetste zijn cliënt als een man met een grooten mond, maar met een klein hartje, als een man met een zekeren trots die er op uit was zich te doen gelden. Spr. geloofde niet, dat zijn cliënt tenvolle desbewust in strijd met de belangen van het Nederlandsche volk heeft gehandeld. Dat hij lid werd van de N. S. B. achtte spr. verklaarbaar; er werden in de jaren ’34-’35 meer boeren en tuinders lid van de N.S.B. Bovendien was dit in ons democratisch Nederland geoorloofd. Dat hij na 1940 lid bleef, vond spr. laakbaar. Toch meende hij, dat zijn cliënt niet als een zwaarder geval mag worden aangezien als die, waarvan er reeds eenigen tijd verschillenden op vrije voeten zijn. Wat hem tegen zit, aldus de verdediger, is, dat hij in Oud-Beijerland een figuur was en dat zijn fouten hem daarom zwaarder aangerekend worden als van hen, die nauwelijks hun naam kunnen schrijven. Spr. ging tenslotte de tenlastelegging punt voor punt na en wees er op, dat veel van hetgeen zijn cliënt wordt aangewreven verklaarbaar, of eenigszins overdreven is. Tenslotte vestigde hij de aandacht van het Tribunaal op de vele gunstige verklaringen, die over zijn cliënt zijn afgelegd, in welke verklaringen hij werd geschetst als een man zonder kwaden inslag, die geen zwarten handel dreef en zich niet aan de Duitschers opdrong. Met het oog op den gezondheidstoestand en het bedrijf van beschuldigde vroeg mr. Bakhoven zijn cliënt onmiddellijk in vrijheid te stellen. Het Tribunaal willigde het verzoek in en bepaalde de uitspraak op 8 October.

 

Uitspraak 26 februari 1947

Tijdens deze zitting deed het Tribuaal ook uitspraak in de zaak K. Hoogenbooni, welke reeds enkele maanden gleden is behandeld, en na afloop waarvan H. toen op vrije voeten is gesteld. Hij werd thans ook ontzet uit de beide kiesrechten en het recht bij de gewapende macht te dienen terwijl zijn vermogen verbeurd werd verklaard tot f 1500. 

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.