Arie van Soest bij de Irenebrigade

Facebooktwitter

Arie van Soest bij de Irenebrigade – door Will van Velsen

Arie Otto van Soest kwam uit de ’s Gravendeelse Schenkeldijk. Toen hij in militaire dienst kwam, solliciteerde hij bij de marechaussee. Hij wist dat hij weinig kans zou maken: er waren slechts 30 plaatsen te vergeven en er waren 300 sollicitanten. Maar hij werd een van de 30. Zijn eerste standplaats was Oss. Spoedig echter werd hij overgeplaatst naar de Duitse grens, bij Gennep, waar hij werd ingezet bij de grensbewaking. Hij moest patrouilleren langs de grens, moest vluchtelingen (meestal Duitse joden) opvangen en overgeven aan andere diensten. De vaste grensposten moesten dag en nacht bezet zijn en de bewakers moesten met een geheime zender alles wat niet in de haak was melden. Alle Duitse treinen moesten worden tegengehouden door middel van een wissel die omgezet werd en een sein dat op onveilig stond. Als de marechaussees gecontroleerd hadden dat de trein legaal was, werd de wissel omgelegd en kon de trein doorrijden. Zou de wissel niet worden omgelegd, dan zou de trein zich tegen de schoorsteen van de nabijgelegen papierfabriek te pletter rijden. Er reisden steeds minder passagiers met de trein, maar gecontroleerd moest er blijven. Op een avond had Arie van Soest (samen met een ander) treincontroledienst. Er kwam een Duitse trein aan. De twee mannen zagen dat het sein op onveilig stond en ze schrokken er van toen de trein toch doorreed. Van Soest schoot met zijn pistool langs de trein om de andere grensposten te waarschuwen. De trein reed door tot aan het station. Iemand moest de wissel hebben omgezet, wellicht was het sabotage, maar hoe zat dat en door wie was de wissel omgezet? De Duitse machinist werd om verantwoording gevraagd en hij zei dat hij een vergissing had gemaakt, omdat hij het onveilige sein niet had gezien. Van Soest nam de trein in beslag en kreeg daar later van zijn brigadecommandant een standje voor. De districtscommandant uit Nijmegen echter complimenteerde Van Soest: het was de enige goede actie geweest die hij had kunnen doen. Arie was er van overtuigd dat de Duitsers de houding van de Nederlandse grensbewaking bij zo’n provocatie wilden uittesten. Het was niet te bewijzen. Met sommige Duitse douanebeambten hadden de Nederlanders goede contacten. Kort voor de Duitse inval kreeg Van Soest van zijn brigadecommandant opdracht de grens over te gaan en in een Duits café voor luistervink te spelen. Hij werd daar echter door een hem bekende Duitse douanier gewaarschuwd snel over de grens terug te gaan, omdat hij anders opgepakt zou worden.

Op 10 mei 1940, vroeg in de ochtend, zagen de Nederlandse soldaten dat de Duitsers zich bij de grens aan het opstellen waren. De genie gooide versperringen neer om een komend leger tegen te houden. Om een uur of vier reed er een Duitse pantsertrein de grens over, ging voorbij de wissel (die weer op onverklaarbare wijze was omgelegd, naar later bleek waren de twee wisselbewakers door de Duitsers gevangen genomen), reed het station voorbij en reed naar de spoorbrug. Daar was een hek, dat dicht behoorde te zijn, maar nu wagenwijd open stond. Sabotage. De kazematten aan de andere kant van de spoorbrug waren ook al door sabotage buiten gevecht gesteld. De bewakers waren doodgeschoten, zodat de kanonnen die op de brug gericht hadden moeten zijn, de verkeerde kant op wezen. Even later ging de tweede pantsertrein de grens over. De grensbewakers (waaronder Van Soest) kregen opdracht naar de Maas te fietsen, waar ze met een boot overgezet zouden worden. Het duurde lang voor er een bootje kwam. De fietsen konden niet mee, die werden daarom in de Maas gegooid, dan konden de Duitsers die niet gebruiken. Van Soest had net een nieuwe fiets; het ging hem aan het hart zijn fiets op zo’n manier te verspelen. Aan de andere kant van de Maas zagen ze de eerst gekomen Duitse pantsertrein liggen; die was door de soldaten van de Nederlandse Peelstelling uit de rails geschoten. De Nederlandse grenssoldaten kregen opdracht zich in Waalwijk te hergroeperen. Om in Waalwijk te kunnen komen, vorderden ze fietsen. Vanuit Waalwijk fietsten ze naar de Belgische grens, daarna naar Antwerpen en Zeeuws Vlaanderen. Een groep, waaronder Van Soest, kreeg opdracht om vanuit Zeeuws Vlaanderen over te steken naar Walcheren. Een getrouwde onderofficier vroeg Van Soest of hij in diens plaats mocht gaan. De commandant ging akkoord. Daarom ging Van Soest niet naar Walcheren, maar met de andere groep Nederlandse soldaten naar het zuiden. Ze fietsen op 17 mei België in. Daar heerste een grote chaos, omdat iedereen, burgers en militairen, op de vlucht waren gegaan. Ze kwamen in Noord Frankrijk, waar ze zonder geld heen en weer trokken. Van enige organisatie was geen sprake meer. De Nederlanders fietsten alleen of in kleine groepjes verder. Boven hun hoofden vlogen Duitse vliegtuigen, die hen bombardeerden en op de stroom vluchtelingen schoten. In Abbeville was het ontzettend druk op straat. Opeens kwamen er Duitse vliegtuigen, die op de mensen schoten. Iedereen die kon, rende naar een droge sloot. Van Soest en zijn maat kwamen midden tussen een groep nonnen terecht. De Duitse vliegtuigen keerden terug en schoten met een mitrailleur door die sloot. Het was nog een wonder dat ze het er levend van af brachten. Ze kropen uit de sloot en kwamen in een prikkeldraadversperring terecht. Het kostte behoorlijk veel moeite om de haven van Duinkerken te bereiken. Daar werd Van Soest met de “Prinses Beatrix” overgezet naar Plymouth in Engeland. In Engeland sloot hij zich aan bij het Nederlandse Legioen, dat later “Nederlandsche Brigade” werd genoemd. Op 26 augustus 1941 bepaalde koningin Wilhelmina bij koninklijk besluit dat de brigade der Koninklijke Landmacht de naam zou dragen van “Koninklijke Nederlandsche Brigade Prinses Irene”. Arie van Soest kwam bij de pantserwagens. Zijn commandant was Ritmeester Beelaerts van Blokland. Ze bivakkeerden eerst lange tijd in tenten, later in gebouwen. Ze moesten veel oefenen. Van Soest reed een keer met zijn pantserwagen een melkwagen in spaanders. Op een gegeven moment kwam Montgomery op bezoek bij de Irenebrigade in Dovercourt om hen te informeren over de op handen staande invasie. Ze kregen allemaal een nieuwe uitrusting. Daarna werden ze overgeplaatst naar een transit camp, vanwaar ze werden ingezet bij de invasie. Ze vonden het geweldig, ze voelden zich ongelooflijk gelukkig mee te mogen doen aan de bevrijding van West Europa, zelfs al zou het hun leven kosten. Ze scheepten zich in aan boord van een Liberty schip. Ze reden in Normandië van het schip af, het water door, het strand op. De Irenebrigade kreeg opdracht een transit camp te maken op een groot stoppelveld op een heuvelrug: een kale vlakte zonder mogelijkheid tot camouflage. De volgende middag trokken ze op tot aan een bos, waar ze voedsel op gedekte tafels aantroffen, achtergelaten door halsoverkop gevluchte Duitsers. Dit plekje werd door de Engelsen Hell fire Corner genoemd, omdat de weerstand van de met mortieren gewapende Duitsers daar zo groot was geweest. De brigade moest verder trekken. De militaire politie zou de weg wijzen, maar raakte verstrikt in de verschillende aanwijzingen. Daardoor ontstond er chaos. Verschillende groepen gingen de verkeerde kant op. Van Soest kwam met een paar pantserwagens in Rouen terecht. Vandaar reden ze door naar de Seine, waar een onvoorstelbare hoeveelheid rommel door de Duitsers was achtergelaten, maar ook veel nog bruikbaar oorlogsmateriaal. Ze gingen over een brug de Seine over en kregen in Dieppe een marsorder om zich bij de Guards Armoured Division te voegen. Om die divisie te bereiken moesten ze 36 uur achter elkaar doorlopen en doorrijden. Iedereen was doodmoe. Ze mochten korte tijd rusten en kregen direct daarna opdracht door te stoten naar Brussel. In Brussel werd groots feest gevierd. De stad was nog geen 24 uur geleden bevrijd. De mensen stonden juichend langs de straten.
Ze moesten verder naar Leuven, dat net 6 uur te voren bevrijd was. Leuven was niet om door te komen, zo blij waren de mensen daar, zo feestten ze in de straten. Na enige moeite om door de stad te komen, reden ze verder naar Diest. Onderweg vielen ze in een Duitse hinderlaag. Munitiewagens werden in brand geschoten en er heerste verwarring. De pantserwagens moesten op verkenning. Na de eerste schrik werden de batterijen en mortieren in stelling gebracht en werd het vuur geopend. Toen het weer rustig was, bleken er een aantal motorrijders vermist te worden. Arie van Soest sprong op een motor om terug te rijden in de richting van Leuven om de verdwenen motorrijders te zoeken. Onderweg werd hij tegengehouden door mensen van de Belgische ondergrondse, die hem meenamen in hun schuilplaats. Om 4 uur ’s morgens zag hij de motorrijders voorbijrijden. Die waren ergens anders tegengehouden. Van Soest kon nu ook weer terug naar zijn onderdeel. Er bleken 3 man gesneuveld te zijn en 16 gewond. Na Diest maakten ze contact met de Guard Armoured Division, die onvoldoende bevoorraad was en blij was met aanvulling door de Irenebrigade. Aan de rand van een bos bij Beeringen werden ze weer aangevallen. De aan de overkant van het kanaal staande Engelse tanks werden in brand geschoten. Er kwamen SS regimenten die de Nederlanders behoorlijk in het nauw brachten. Gelukkig kwam er hulp van Engelse tanks en vlammenwerpers en werden ze ontzet. De volgende morgen stond Van Soest met zijn pantserwagen, samen met nog twee pantserwagens, bij een oud boerderijtje, waarachter zich nog een woning bevond. De Nederlandse mannen wisten niet of zich daar nog Duitsers ophielden. Achter het raam van het huisje meende Van Soest een vrouw te zien, maar het zou ook een Duitser hebben kunnen zijn. Ze waren dus op hun hoede. Op een gegeven moment, toen het licht begon te worden, ging de deur van het huis open en stapte er een vrouw naar buiten. Achteraf bleek dat de bewoners van dat huis hadden gedacht dat de soldaten in de pantserwagens Duitsers waren. Nu het Nederlanders bleken te zijn, waren ze van harte welkom. Van Soest dronk bij hen voor het eerst van zijn leven een kopje surrogaatkoffie. Hij vond het nog lekker smaken ook. Op 22 september trokken ze bij Valkenswaard de Nederlandse grens over. Ze werden toegevoegd aan het 30e legerkorps, waar ze van nut waren vanwege hun kennis van de omgeving en hun contacten met de ondergrondse. Ze gingen via Eindhoven, Grave en Hilvarenbeek naar Tilburg. De Irenebrigade trok op tot vlak voor Tilburg, maar werd daar tot staan gebracht door de Duitsers. De Engelsen hadden tanks, waarmee ze tot aan de stad konden komen. Daarom is Tilburg tot verdriet van de Irenemannen niet door Nederlanders bevrijd. Ze werden daarna ingezet om de rest van Nederland te bevrijden. Bij de gevechten om Walcheren verloren 12 mannen van de Irenebrigade het leven. Van Soest maakte een Duitse onderofficier, die een hele nacht in het ijskoude water van de Schelde had gestaan, krijgsgevangen. De man had zijn zakken vol met kastanjes tegen de reumatiek. Alles werd hem afgenomen, ook de kastanjes, en dat vond de gevangene het ergst. Van Soest kreeg in Middelburg van de Engelsen een opleiding in het besturen van een Buffalo. Een Buffalo is een soort amfibietank, die kan varen en rijden, zelfs recht omhoog en omlaag. Bij Vrouwenpolder oefenden ze op zee. Van Soest was op een gegeven moment een eind weg de zee op, toen de motor van de Buffalo afsloeg. Hij kreeg hulp van anderen, en kwam weer veilig op de wal. Daarna kregen de buffalo bestuurders opdracht om met onbekende bestemming te vertrekken. Van Soest mocht niet mee, tot zijn verdriet. Hij bewoog daarom hemel en aarde om toch mee te mogen en kreeg tenslotte toestemming. Ze trokken Brabant in, reden door de Langstraat, kwamen uit in Engelen, achter ’s Hertogenbosch, aan de Dieze. Van Soest kreeg opdracht om met zijn Buffalo mensen en materialen over de rivier de Dieze te brengen, naar Hedel. In het bietenhaventje van Hedel zakte de Buffalo in de modder; nu bleek dat de haven al jaren niet meer gebruikt was en dichtgeslibd. De Buffalo kon wel heel veel, maar tegen bagger kon hij toch niet op. Het gelukte Van Soest gelukkig om het voertuig uit de modder te werken. Hij kwam doodmoe weer terug bij zijn onderdeel en wilde net even gaan liggen, toen hij opdracht kreeg om opnieuw met de Buffalo over te steken. Er was dringend behoefte aan munitie en hij had nu ervaring met de route. Hij ging op weg en bracht mortieren en granaten over. Op de terugweg kreeg hij een lading Duitse krijgsgevangenen mee, die hij de schrik van hun leven bezorgde door loodrecht, zonder waarschuwing, het water in te duiken. Hij kreeg daarna nog opdracht om luitenant Van Voorst tot Voorst over te zetten. Later haalde hij hem, gewond, weer op. De luitenant was op een mijn gereden, waardoor zijn been eraf gerukt was. Van Soest moest met nog een paar mannen op het hoofdkwartier komen bij de staf in Hedel, in een kapotgeschoten huis. Daar werd hen gevraagd of ze er kans toe zagen om in een bepaalde tijd zo veel mogelijk mensen en materialen terug te brengen. Ze gingen meteen aan de slag. Het was 4 mei. Bij de strijd om Hedel verloren twaalf mannen van de Irenebrigade het leven. Van Soest bleef lange tijd heen en weer varen, tot de tank midden op de Maas kapot ging. Andere schepen sleepten het vaartuig van de Maas de Dieze in. Het onderdeel van Van Soest zou doorstomen naar Den Haag om daar feestelijk de residentie binnen te trekken. Van Soest mocht niet mee, hij kreeg opdracht bij zijn kapotte voertuig te blijven. Daarom was hij tijdens de bevrijding in Engelen. Op 15 mei 1945 kwam hij in ’s Gravendeel terug. Hij ging eerst zijn verloofde Truus opzoeken. Uit het huis van haar ouders kwam een mooie jonge vrouw: was dat nu Truus of haar zusje Maartje. Van Soest wist het niet, hij had hen in geen vijf jaar gezien. Het bleek Maartje te zijn, want ze zei: “Truus is niet thuis”. Daarna vond hij zijn eigen Truus weer terug. Samen met haar liep hij over het dorp en de mensen zeiden: “Kijk nou es, die Truus heeft vijf jaren gewacht op Arie van Soest en nou, na de bevrijding, loopt ze met een Canadees.”
Van Soest ging naar zijn ouderlijk huis in de Schenkeldijk. Juist die dag waren zijn ouders teruggekomen. Ze waren geruime tijd geëvacueerd geweest. Zijn fietsenmaker van vroeger vroeg of hij een fiets nodig had. En hij kreeg gratis een prachtige nieuwe fiets van de man, net zo mooi als het exemplaar dat hij in de Maas had laten verdwijnen, vijf jaar geleden. De fietsenmaker had zijn spullen laten onderduiken. Als dank voor de fiets gaf Van Soest de man een paar honderd sigaretten.

De gegevens van dit verhaal zijn ontleend aan het boek “Ik zou weer zo gek zijn Mannen van de Irenebrigade” door Hanny S.R. Meijler. De foto’s zijn beschikbaar gesteld door Heleen Schop.

Vierde en laatste aflevering van de Spoor Terug serie De bevrijding van het Zuiden, in 1944, deze aflevering gaat over de Prinses Irene Brigade. Aan het woord komen:
– Rudi Hemmes
– Meik van Lienden
– Harry Davies
– Theo van Besouw
– Arie van Soest (vanaf minuut 21.49)

1 Comment

Add a Comment
  1. Wat een ongelofelijk verhaal. Prachtig om te lezen, maar triest dat er zo veel maten van Arie zijn gesneuveld!!

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *