web analytics

Door de site te te blijven gebruiken, gaat u akkoord met het gebruik van cookies. meer informatie

De cookie-instellingen op deze website zijn ingesteld op 'toestaan cookies "om u de beste surfervaring mogelijk. Als u doorgaat met deze website te gebruiken zonder het wijzigen van uw cookie-instellingen of u klikt op "Accepteren" hieronder dan bent u akkoord met deze instellingen.

Sluiten

Egbert Fokkema, † 29 april 1945 – WO2 Hoeksche Waard
WO2 Hoeksche Waard

Egbert Fokkema, † 29 april 1945

Op het in 1998 onthulde Korendijkse herdenkingsmonument te Piershil staat de naam van Egbert Fokkema. In mei 2010 verscheen in het Reformatorisch Dagblad een serie artikelen over in de Tweede Wereldoorlog omgekomen predikanten. De derde aflevering ging over Egbert Fokkema.

Tekst artikel ‘Oorlogspredikant verzette zich tegen de antichrist’

Een jaar heeft ds. E. J. Fokkema Goudswaard, zijn eerste en laatste gemeente, gediend. Bijna als voorbode van de onrust die komen zou, preekte hij op 16 mei 1943 intrede met de troostende verzen van Mattheüs 28:18: „Mij is gegeven alle macht in hemel en op aarde”. Het nieuws moet als een schok door het dorp Goudswaard in de Hoeksche Waard zijn gegaan. Fokkema is opgepakt. En een jaar later: Fokkema is overleden in strafkamp Bergen-Belsen. De hervormde gemeente heeft niet lang daarna naast de kansel in de dorpskerk een plaquette aangebracht. De tekst luidt: ”E. J. Fokkema bediende hier het Woord. Hij overleed op 29 april 1945 in het concentratiekamp Bergen-Belsen”. Egbert Jan Fokkema werd geboren in Sneek op 5 december 1917. Hij groeide op in een gereformeerd gezin. Zijn vader, Jan Fokkema, was aanvankelijk officier in het leger en vervolgens ambtenaar bij de overheid. Pas op latere leeftijd kreeg hij de roeping om predikant te worden. Vader Fokkema ging in 1927 theologie studeren in Utrecht. Hij was toen 34 jaar. Na drie jaar studie werd hij bevestigd als hervormd predikant te Sprang-Capelle. Hij sloot zich aan bij de Gereformeerde Bond, al bleef hij vrienden houden in de breedte van de kerk. Orthodox-gereformeerden begrepen hem niet altijd. Toen Fokkema in 1937 predikant werd in Delft, lag hij regelmatig in de clinch met een hervormde collega, tevens SGP-voorman: ds. P. Zandt. Die zei eens over Fokkema dat „tegenwoordig gereformeerde wagens de kerk worden ingevoerd met remonstrantse gevoelens.” Na de oorlog sneerde Fokkema, die voor de ARP in de Tweede Kamer zat, dat zijn collega wel principes had, maar dat die in de oorlog bitter weinig hadden uitgewerkt. Fokkema moest onderduiken wegens ‘opruiende’ preken en het bezit van een radio, zijn vrouw zat enige tijd in doorvoerkamp Vught en zijn zoon verloor het leven. De verzetshouding van de gereformeerden nam Egbert Jan Fokkema van zijn vader over. Zagen de orthodox-gereformeerden de bezetting als een oordeel van God waaronder ze moesten bukken, de gereformeerden omschreven nazi-Duitsland als de antichrist waartegen verzet een plicht was. Fokkema studeerde theologie in Leiden van 1937 tot 1942. Op 6 mei 1943 trad hij in het huwelijk. Tien dagen later bevestigde zijn vader hem in Goudswaard met de woorden uit Openbaringen 6:2. Een jaar later, op 18 mei 1944, keerde Fokkema zich tegen de plannen van de NSB-burgemeester van Oud-Beijerland, in de buurt van Goudswaard. Deze wilde palen in het landschap zetten om geallieerde parachutisten te dwarsbomen. Fokkema sprak van „meeheulen met de vijand” en „werken voor het rijk van de antichrist.” Twee dagen later dook hij onder. In de nacht van 8 op 9 augustus werd hij opgepakt. De Sicherheitsdienst zocht in het ouderlijk huis in Delft zijn zus, werkzaam in het verzet. De Duitse agenten troffen daar de jonge predikant aan. Na twee weken gevangenschap in Rotterdam werd hij op transport gezet naar Vught. Hij had in het geheim een Bijbel bij zich. In het kamp sprak hij voor andere gevangenen en bad hij met hen. Zelfs een Poolse priester was hij tot steun. Op dolle dinsdag, 5 september, toen het erop leek dat Nederland binnen een paar dagen zou zijn bevrijd, werd de predikant hals over de kop op transport gezet naar Duitsland. In tewerkstellingskamp Henkel-Werke liep hij roodvonk op. Vanuit Sachsenhausen-Oranienburg lukte het hem een kort briefje te schrijven, „dat het hem elke dag opnieuw weer goed ging, alleen door Gods genade, die hem altijd nabij was.” Op 5 februari 1945 kwam hij aan in Bergen-Belsen. Het Engelse leger bevrijdde op 15 april het kamp. Fokkema maakte dat nog mee. Maar een aanval van dysenterie betekende zijn levenseinde. Op 29 april overleed hij. Op de sokkel van het oorlogsmonument aan de provinciale weg bij Heinenoord staat zijn naam gegraveerd. Hij was een van de mensen uit de Hoeksche Waard die het leven lieten in bezettingstijd. De hervormde gemeente bewijst met een Bijbeltekst eer aan haar predikant. De inscriptie naast de kansel sluit af met Daniël 12:3a: „De leeraars nu zullen blinken als de glans des uitspansels.”

Foto’s ‘Egbert Fokkema’

Egbert Fokkema, 1917 – 1945

De inscriptie naast de kansel.

Ook op het monument Moeder, onder Heinenoord, staat de naam van Egbert Fokkema.

Tekst ‘Koerier nummer 5’ – 1944

In de Koerier nummer 5, het illegale streekblad uitgegeven door de verzetsgroep Zinkweg, werd een brief afgedrukt inzake het dilemma ‘Werken voor de Duiters’.

nood-dorp, 2 November 1944

Beste Jan,

Langs ons huis snorren de Duitse auto’s. Eindeloze rijen. Ze gaan de weg terug. Vanuit Brabant naderen de bevrijders. Als ik ze zo zie vluchten, denk ik aan de Meidagen. Week je nog wel, hoe we met tranen in de ogen onze Hollandse jongens zagen terugtrekken? Er is de laatste weken veel gebeurd in ons dorp. Een paar maal hebben we hier die terugtrekkende benden op bezoek gehad. Van alles hebben ze gestolen: paarden, wagens, koeien, schapen, kleren enz. De laatste week blijven ze hier hangen. Bij de brug moeten tankvallen en loopgraven gemaakt worden. Zelf graven doen de heren natuurlijk niet. Dat mogen de Hollanders doen! Op het Gemeentehuis zorgen ze voor de spit-briefjes. Je broer Henk kreeg er ook al gauw een. “Als je niet komt, schieten we je Vader dood!”, zei de landverrader, die het bracht. We hebben er een moeilijke avond door gehad. Moeder en ik hebben gedacht aan Evert, die in Amersfoort zit, omdat hij onderduikers aan bonnen hielp. En aan jou, die dienst hebt genomen bij het leger der gezochten. Eventjes heb ik geaarzeld. Henk nu ook nog weg? Voor zo’n paar daagjes graven? Toen zijn wij de weg gegaan, die we jullie beide altijd hebben gewezen. En we hebben gezongen: “Daar God mijn schild en hulp wil wezen, Wat zal een nietig mens mij doen?”. Henk is weggegaan. Ik moest me op ’t Gemeentehuis verantwoorden. Ze hebben me bedreigd. Maar er is verder nog niets gebeurd.

Je moest hier de mensen eens kunnen horen. Begin september was alles Oranje Boven! Ze wilden mee naar Duitsland met de Engelsen. Ze waren o zo dapper! En nu? Ze vliegen voor den Duitser! Zingende gaan ze naar de tankvallen. Als je ze een krantje geeft zeggen ze: “Wel aardig, maar die illegale heethoofden sturen alles in de war!” En Gerritsen, je weet wel, dat Gemeenteraadslid, zei tegen me: “Die opruiers willen een mooi baantje na de oorlog!”. Herinner je je nog, dat Evert altijd een bonkaart aan zijn zoon gaf? Soms schaam ik me Nederlander te zijn, als ik dat geknoei aanzie. Elkaar aanbrengen, als er een vergeten wordt bij het spitten. Vaders wijzen hun jongen de deur, omdat hij geen slaaf wil zijn. Maar gelukkig zijn er nog getrouwen. Beste jongen, ik ben trots op jou. En dankbaar, dat jij God vreest en niet de mensen. Je bent alle uren in gevaar. Je Moeder en ik weten het. Blijf je plicht doen! Avonturiers zijn jullie niet allemaal. In je brief lazen we je verlangen naar huis. Hou vol! Er wordt voor jullie stille strijders veel gebeden. De Zon der Vrijheid staat aan de kim.

God sterke jullie allen.

Hartelijke groeten van je Vader en Moeder.

Knipsel ‘Verrader van Ds. Fokkema voor zijn rechters’ – 6 november 1946