web analytics

Door de site te te blijven gebruiken, gaat u akkoord met het gebruik van cookies. meer informatie

De cookie-instellingen op deze website zijn ingesteld op 'toestaan cookies "om u de beste surfervaring mogelijk. Als u doorgaat met deze website te gebruiken zonder het wijzigen van uw cookie-instellingen of u klikt op "Accepteren" hieronder dan bent u akkoord met deze instellingen.

Sluiten

De oorlogsherinneringen van Bert Dirkzwager – WO2 Hoeksche Waard
WO2 Hoeksche Waard

De oorlogsherinneringen van Bert Dirkzwager

De oorlogsherinneringen van Bert Dirkzwager (uit ‘s-Gravendeel), door Will van Velsen-Griffioen.

Ik ben Bert Dirkzwager, ben in 1927, als enig kind, geboren in Wieldrecht, dat is de Dordtse kant van het Oude Veer bij ‘s-Gravendeel, waar mijn vader in 1923 de autobusdienst van ‘s-Gravendeel naar Dordt begonnen was. Ik ben in Dordt op school geweest. Het busbedrijf groeide met busdiensten naar Willemsdorp, Puttershoek, Strijen, Numansdorp en in 1933 met de overname van alle stadsdiensten in Dordt van de fa. Willem van Twist. Met de nieuwste bussen werden busreizen gemaakt. O.a. vanaf eigen reisbureaus in Dordt en Rotterdam.

In 1941 heeft mijn vader het busbedrijf verkocht aan de heer Lipman van de Vios uit Wateringen, ook een busonderneming. Na die verkoping verhuisden we naar ‘s-Gravendeel, naar de Gorsdijk. Mijn ouders zagen dat als een praktische manier om de oorlog door te komen. Op het platteland is nooit gebrek aan eten.
We gingen wonen in het huis van Bart van Iperen. Deze was een jaar daarvoor overleden en zijn weduwe heeft er daarna nog een jaar in gewoond. Mijn vader huurde de woning. Het was een mooi huis en we hebben er met plezier gewoond. Het enige nadeel was, dat er geen elektrisch licht was. Dat was natuurlijk logisch, want B.B. van Iperen was directeur van de gasfabriek geweest en voor hem was elektriciteit een concurrerende energievoorziening voor zijn bedrijf. Alles was op gas, zelfs de schemerlampen hadden gaskousjes. Mijn vader heeft zelf elektriciteit in dat huis laten aanleggen, want hij had de genoegens van deze manier van verlichting al jarenlang ondervonden. Bij gasverlichting kom je altijd in een donkere kamer binnen en moet je in het donker de lampen aansteken. Elektriciteit is zoveel praktischer: bij het binnenkomen heb je al een knopje waarmee je de verlichting inschakelt. Mijn vader maakte gemakkelijk contact en ging wekelijks biljarten met drie andere mannen: Leen Nolen, Henk Reedijk, de schoonvader van Aagje, Willem Goudriaan, een aardappelhandelaar, en mijn vader. Ze speelden in de voormalige woonkamer van Nolen. Zijn koekfabriek was inmiddels dermate uitgebreid, dat ook de woning bij het bedrijf was getrokken. Nolen zelf was naar een huis aan het veer verhuisd, maar in de huiskamer had hij zijn biljart gezet. Mijn vader kon een aardige stoot zetten en hij had er ook veel plezier in.

Toen Nolens huis aan het veer te koop stond, na het overlijden van Leen Nolen, heeft mijn vader er op geboden. Dat wil zeggen, hij heeft ingezet. Het ging bij opbod en afslag. Het bleef aan de strijkstok hangen, zoals dat heet en zo kwam het in zijn handen. Wij zijn naar dat huis vertrokken. In die tijd kregen wij thuis een biljart. Nou zou ik je niet kunnen zeggen of dat hetzelfde biljart was waarmee hij altijd met Nolen had gespeeld. Het zal netzo goed een nieuw geweest kunnen zijn. Hij zette het op zolder. Maar het huis was zo schuin, zo verzakt, dat hij blokken onder de poten moest zetten om de tafel waterpas te maken. Je kunt alleen maar biljarten als alles recht ligt. Ik probeerde ook een stoot, maar dat lukte niet erg en daarom heb ik er verder nooit meer naar getaald. Mijn vader wel, die hield van die sport. Later, toen we verhuisden naar de Strijensedijk, ging het biljart mee. Toen hoefden de blokken niet meer onder de poten te staan. Mijn zoon Bert heeft er ook op gespeeld. Die had er ook liefhebberij in.

Mijn grootvader had aan de Strijenseweg een kruiderij en boomgaard. Mijn opa, Jacob Stuurstraat, was een wees. Zijn ouders overleden aan de Spaanse griep, kort na elkaar. Ze woonden toen in de Schenkeldijk. Samen met een broer en een zusje is mijn opa opgevoed in de wezeninrichting Neerbosch bij Nijmegen, waar wel meer dan 1000 kinderen werden opgevangen. Daar heeft hij een opleiding tot bloemist gehad. Zijn zus Neeltje werd naaister. Zo kon ook zij haar brood verdienen. Ze is terug naar ‘s-Gravendeel gekomen en woonde in de Rijkestraat. Ze is nooit getrouwd, waarschijnlijk omdat ze een bultje had. Mijn opa heeft in Duitsland stage gelopen. Dat heette toen niet zo, maar hij volgde daar in ieder geval een leertijd als leerjongen. Toen hij als bloemist was begonnen leverde hij door de hele Hoeksche Waard zijn plantjes af. Hij is wel met een handkar naar Klaaswaal gelopen om daar plantjes af te leveren. De tijden waren toen wel heel erg anders dan nu. Maar het was in de dertiger jaren moeilijk geworden met de verkoop van bloemen. Hij was borg geweest voor een zoon van hem die bloembollen was gaan kweken. Het was met de bloembollen niks geworden en mijn grootvader had moeten dokken. Daarom heeft hij, om aan geld te komen, zijn grond en woning in 1927 aan mijn vader verkocht. Hij woonde er nog wel, maar mijn vader was de eigenaar. Mijn opa heeft ook nog een tijd bus gereden, in de ochtenden. Op dat bedrijf ging mijn vader in de oorlogstijd kippen houden. Hij kocht aan het eind van de oorlog ook een koe van een boer wiens land geïnundeerd was. En hij kocht een hit van een caféhouder uit Zuid-Beijerland en die dieren konden allemaal gemakkelijk op het bedrijf van mijn opa een plaatsje krijgen. Mijn moeder begon met kaas maken van het melk van de koe. Ze leerde het zichzelf. Ze maakte ook zelf boter en karnemelk. In de oorlog was er dus altijd genoeg. Mijn dochter woont in Nieuw Zeeland, waar ze trouwde met een drukker die ook een boerderij wilde beginnen. Ze vroeg mij het recept voor het maken van karnemelk. Nou dat wist ik wel: de volle melk gewoon zuur laten worden. Zo deed mijn moeder ook.

Jacob Stuurstraat jr. die op nummer 105 woonde, hield in de oorlog melkgeiten en bokken voor de slacht. Het jaarlijkse varken werd de eerste oorlogsjaren, toen het nog mocht, in de kelder van Gorsdijk 34, geslacht aan huis, door de oude Rook en Filip Verkerk. De Distributie voor bijna alles werd ingevoerd, waarbij elke maand bekend werd gemaakt op welke bon en hoeveel of wat gekocht kon worden. Er waren bonnen voor brood, boter, eieren, aardappelen, melk, vet, olie, suiker, tabak, sigaretten “Ersatz”koffie en thee, zeep, wasmiddelen, kleding enz. enz. Alles was op de bon en als het niet op de bon was, dan was het niet meer te krijgen, zoals chocolade, cacao, koffie en thee. Buiten de distributie kon je ook nog heel wat “Zwart” kopen of ruilen. Later ging dat tegen enorme prijzen. Toen de schaarste aan levensmiddelen voelbaar werd, werd al snel de Hoekse Waard voor niet-bewoners verboden gebied. Er kwam marechaussee-bewaking in zwarte uniformen, geverfde pakken van het Nederlandse leger, op de pont. Wij mochten er wel uit en in, maar vreemden zonder “Ausweis” niet er in. Twee van deze marechaussees, Eef de Jong uit Den Haag en een Piet, van wie ik de achternaam niet meer weet, uit Twente, zijn lange tijd bij mijn vader gedwongen ingekwartierd geweest. Mijn vader had in ‘s-Gravendeel inmiddels kennissen gekregen, o.a. Ceesie Kooy, vlasboer, en Willem Goudriaan, aardappelhandelaar, die net als hij ’s morgens het Café van Gerrit Brand bezochten. Ook aan Leen Nolen Sr., die schuin tegenover ons een banketfabriek had, was een goede vriend. Wij konden van Nolen koeken, sprits, boterletters en kerstkransen kopen. Niet zulke als tegenwoordig, maar gemaakt van o.a. witte-bonenspijs en dat was heerlijk. Van “Ceesie” Kooy betrok mijn vader lijnolie, die clandestien was geperst van lijnzaad. Met de hierbij overblijvende schilfers van het zaad werd een de koe gevoerd. Van lijnolie werd zeep gemaakt.
Er werd van boeren koolzaad gekocht, en ook geperst voor olie, om in te bakken. We hadden broodbonnen, maar het aantal was niet toereikend. Mijn vader kocht clandestien tarwe en liet dat maken. Het meel kreeg een plaatsje op zolder bij bakker Koos Kallewaard, die er brood van bakte. Zo hadden we voldoende aanvulling op het brood van de broodbonnen. Aardappels kochten we bij de boeren, genoeg voor de gehele wintervoorraad. Door ons werden ook tabaksplanten geteeld, zoals ook door veel andere mensen. De onderste bladeren, die geel werden, werden gedroogd, gefermenteerd, dat wil zeggen dat we ze in bundels lieten broeien. Daarna werden de tabaksbladeren fijn gesneden, voor heerlijke, zware, “eigen teelt” tabak, voor sigaret of pijp. Daar was ook handel in. De Duitsers begonnen Nederland steeds meer leeg te halen. Tractoren waren er nog niet veel bij de boeren, maar paarden en vee werden gevorderd.

Ik had in die tijd een grote accordeon, waarop ik leerde spelen. Iedere week volgde ik les in Dordrecht. In de oorlog moest iedereen zijn geld inleveren, het zilveren geld dan. Je kreeg er nikkelen geld voor terug. Heel wat mensen lieten manchetknopen maken van een dubbeltje en een kwartje met een kettinkje ertussen. Ik heb ook een paar. Niet alleen het geld, ook goud, zilver, koper, brons enzovoort moest worden ingeleverd. Mijn vader leverde onze koperen paraplubak in en nog wat ander koper. De plantenbak en borstelkast van dit “stel” hield hij. Goud en zilver werd onder de grond verstopt. De radio’s moesten worden ingeleverd. Mijn vader kocht in de plaats van onze goede radio een “oude radio”, om die in te leveren, maar uit angst leverde hij toch de zo goed als nieuwe radio in en verstopte de oude. Hij had dus wel een radio in huis er was nog een aansluiting, door Bart van Iperen aangelegd. Destijds was een abonnement genomen voor de “Radiodistributie”, die twee Hollandse zenders had, maar niets daarbuiten. Bij Opa Stuurstraat konden we stiekem naar de Engelse zenders luisteren, wat streng verboden was. De zenders werden ook erg gestoord. Opa mocht zijn toestel houden, omdat zijn zoon Nico Stuurstraat dienst had genomen in het Duitse leger. In 1943 werd bij een beschieting van de Pont, door geallieerde vliegtuigen, de serre van Gorsdijk 34 getroffen door een granaat, wat overal granaatscherven opleverde; gelukkig was niemand getroffen. De serre, die daarvoor van hout was geweest, is in steen hersteld.

Land en woonhuis J.W. Aardoom

Bij de foto: Land en woonhuis J.W. Aardoom (Overdijk) door de Duitsers in 1944 onder water gezet, zodat geen vliegtuigen konden landen. Alle polders aan de rand in de Hoeksche Waard stonden onder.

Boerderij van Bas Kooy in geïnundeerde polder

In 1944 werd een groot aantal polders in de Hoekse Waard onder water gezet, ca. 1 meter hoog. In ‘s-Gravendeel betrof dat de Mijlpolder, Groot Koninkrijk, den Uil, de Trekdam enz. Die polders werden tot verboden gebied verklaard. Hierna werden mensen gevorderd, om bomen en palen in het bouwland van niet geïnundeerde polders te plaatsen, zodat geen vliegtuigen konden landen. De helft van de bomen van de Windsingel langs onze boomgaard, werden gevorderd. Om en om werden de bomen net boven de grond afgezaagd. De bewoners van de ondergezette polders trokken in bij familie of kennissen.

Op de boomgaard werd in de “Houten” schuur voor drie werkpaarden van boer Bas Kooy, een noodstal gemaakt. Boer Kooy trok in bij Thijs Schouten, nu Van der Lee, waar ook zijn koeien stonden. Mijn vader kreeg toen voor “de baat” een hit van De Graaf van Zuid-Beijerland, welke plaats helemaal geëvacueerd was. Met deze “hit” werden vrachtjes gedaan, zoals met een driewielige wagen hooi, stro en mangels halen. Ook werd hij in de boomgaard gebruikt. Ik was na één jaar MULO op de Prinses Julianaschool aan de Singel in Dordrecht in 1942 naar de “Dordtsche Handelsschool” aan de Wolwevershaven gegaan om typen, taal, Nederlandse handelscorrespondentie, boekhouden en handelsrekenen, Engels en Duits te leren. Medeleerlingen in die tijd waren, Wim de Zeeuw, Kees Ligthart, Rein de Vries, Mees de Koning, Annie Huisman. Ik ging met de bus, want mijn ouders en ik hadden “levenslang vrij vervoer”. Ook ging ik wel met de fiets of met de “Thor”. Het laatste oorlogsjaar ging ik niet meer naar school; de fietsen werden gevorderd en de jongens moesten naar Duitsland om te gaan werken. Hiervoor werden in alle steden en dorpen “Razzia’s” gehouden, en de mannen gewoon op straat of in huis opgepakt en onder bewaking op de trein gezet naar een fabriek in Duitsland. Heel de oorlog al mocht je ‘s avonds na donker niet meer buiten. Op momenten dat er sprake was van een nachtelijke razzia in ’s-Gravendeel, ging ik, inmiddels 17 jaar oud, bij opa Stuurstraat slapen.

Bij iedereen werd het elektrisch, buiten aan de paal afgesloten. De gasfabriek kwam stil te liggen; er waren geen kolen meer. Mijn vader had een oud kolenfornuis gekocht, dat in de woonkamer stond en gestookt werd met o.a. “cokes” van de gasfabriek. Hierop werd eten gekookt, maar ook suikerbietenstroop, door het sap van suikerbietenpulp in te koken; ook werden er koekjes in gebakken. Voor verlichting werd een petroleumlamp gebruikt, of een z.g. “drijvertje” in een schaaltje olie op water. De huizen moesten al vanaf 1940 goed verduisterd zijn door goede dichte gordijnen, of “blinden”; er mocht absoluut geen licht naar buiten schijnen. Ook was er nergens straatverlichting, zodat het ‘s nachts hartstikke donker was. Soms als er vliegtuigen overvlogen, werden ze met “schijnwerpers” opgezocht en daarna beschoten; ook werden er lichtkogels afgeschoten. Op en bij de pont aan de Wieldrechtse kant kwamen Duitse soldaten van de Kriegsmarine voor bewaking enz. Ook op de pont stonden mitrailleurs en er lagen een paar oorlogsschepen met geschut, achter bij Overwater en bij het Café. Na September 1944, toen de geallieerde troepen onder de rivieren in Brabant zaten, werkte er “Boven” de rivieren niets meer. Er was geen vervoer meer. De N.S.B.-ers vluchtten naar Duitsland. Er kwamen veel Duitse soldaten op terugtocht uit het Zuiden, op een schoen en een slof. In de steden in het Westen was er bijna geen eten meer, ook niet op de bonnen. De mensen stroomden, met kinderwagen, karren, oude fietsen zonder banden enz. naar het platteland tot in Friesland en Groningen, om te bedelen voor eten of te ruilen of zwart te kopen. Er werden in de stad zelfs tulpenbollen en suikerbieten gegeten. Bomen werden gerooid en hout uit huizen gesloopt om te stoken. Via de pont kwamen er wel van deze mensen over, met een “Ausweis”, z.g. op familiebezoek. Gingen ze dan met te veel “zichtbaar” eten terug, dan werd het door de Duitse Ortskommandant van ‘s-Gravendeel, Herr Hammeke, voor de Duitse soldaten, die ook al minder eten hadden, in beslag genomen, of door hem zelf geruild tegen drank. Hammeke was altijd dronken. Hij woonde in het huis van Haima de Vries, aan de Noord Voorstraat.

Op 18 januari 1945 moest mijn vader zijn jachtgeweer en patronen inleveren bij de “Feldgendarmerie” te Dordrecht en op 30 januari 1945 kreeg hij bevel een matras te bezorgen bij de “Ortskommendantur” in ‘s-Gravendeel. Vanaf het terrein van de suikerfabriek in Puttershoek, werden door de Duitsers V1’s (vliegende bommen) gelanceerd, richting Antwerpen (was bevrijd) en naar Londen. Deze laatste oorlogswinter was gevaarlijk en heel erg zwaar. In de steden stierven veel mensen van de honger; voor ons op het platteland ging het nog wel. Op 5 mei 1945 kwam uiteindelijk de bevrijding en gaven de laatste Duitse troepen, ook in Duitsland, zich over. Nu kwamen de “Ondergrondse” strijdkrachten, gekleed in blauwe overalls, met oranje halsdoek, te voorschijn, die de NSB’ers gingen arresteren en de moffenmeiden (die met Duitse soldaten hadden gevreeën), kaal te knippen. Een paar dagen later kwamen de Canadese troepen, via Rotterdam, ook op ‘s-Gravendeel. Van de Moerdijkbruggen waren een paar overspanningen opgeblazen zodat over deze brug geen verkeer mogelijk was. De voedselvoorziening kwam weer op gang; er werd voedsel gedropt uit vliegtuigen en er kwam Zweeds witbrood en margarine. Ook van de legervoorraden kregen we droge “kaken” uit grote blikken en busjes “Meat en Vegetables” en wel eens een Engelse sigaret of een stukje chocolade van de soldaten, wat een traktatie was. Het normale leven, kwam weer heel langzaam op gang. Ik ging weer een paar uur in de week naar de Dordtsche Handelsschool, waar ik als eindresultaat op 12 januari 1949 het “Praktijkdiploma” boekhouding behaalde. Mijn vader ging weer naar Rotterdam en Dordrecht. Alle verenigingen gingen weer feestavonden geven, waarbij toneelstukken werden opgevoerd door de leden en waarbij ik met Bas Kooy en Rina Brand de pauzes opluisterden als accordeon-“Trio”, uiteraard gratis. Ook werden in alle dorpen, steden en straten de “Bevrijdingsfeesten” gehouden, waarbij op straat werd gedanst en spelletjes gedaan. Maandenlang werd er feest gevierd.