web analytics

Door de site te te blijven gebruiken, gaat u akkoord met het gebruik van cookies. meer informatie

De cookie-instellingen op deze website zijn ingesteld op 'toestaan cookies "om u de beste surfervaring mogelijk. Als u doorgaat met deze website te gebruiken zonder het wijzigen van uw cookie-instellingen of u klikt op "Accepteren" hieronder dan bent u akkoord met deze instellingen.

Sluiten

Verslag ‘Groep Zinkweg’: KP-BS-SG – WO2 Hoeksche Waard
WO2 Hoeksche Waard

Verslag ‘Groep Zinkweg’: KP-BS-SG

In de Hoeksche Waard waren verschillende verzetsgroepen actief. De groep Zinkweg heeft 40 jaar na afloop van de oorlog zelf enkele verslagen geschreven over de diverse aspecten van het verzet.

Onderstaand verhaal is een integrale weergave van het verslag betreffende de KP (Knokploeg), BS (Binnenlandse Strijdkrachten) en SG (Strijdend Gedeelte). Opmerkingen en foto’s heb ik zelf toegevoegd, telkens te zien tussen de horizontale lijnen.

Overzicht betreffende verzetsactiviteiten der groep Zinkweg (KP/BS/SG) gedurende de Tweede Wereldoorlog.

Zoals reeds in het kort is aangehaald in het L.O. verslag, ontstonden uit de L.O. in de loop der tijd in het land groepen die, omdat er een groot gebrek aan persoonsbewijzen en distributiebescheiden was voor onderduikers, gewapende overvallen en inbraken gingen plegen om aan deze bescheiden te komen. Zij werden knokploegen (KP’s) genoemd. Hun werkzaamheden breidden zich later uit tot allerlei uiteenlopende activiteiten, meestal gewapend. Mar de hoofdzaak was, het ondersteunen van de L.O. en andere verzetsorganisaties. Via Jaan Jiskoot en Nico de Regt uit Barendrecht kwam de groep Zinkweg in contact met de KP van Johannes Post, een der eerste KP-leiders in ons land. Om het tekort aan distributiebescheiden aan te vullen werd besloten tot een overval in Oud Beijerland. Het geheel speelde zich als volgt af: In November 1943 werd er door Frans PBS (Nico de Regt) in Oud Beijerland contact opgenomen voor het verkrijgen van gegevens omtrent de aanwezigheid van distributiebonkaarten. Frans was in gezelschap van Evert (Marinus Post) die tot de KP van “JOHANNES” behoorde. Marinus werd te Barendrecht verpleegd, daar hij een schotwond in zijn been had. Hij was evenwel weer zover genezen, dat hij op stap kon gaan. Na een bezoek aan het “Hoofdkwartier” deelde hij mee, dat de toestand met de bonkaarten zeer precair was en dat er dringend behoefte was aan tips voor het kraken van distributiekantoren. Na een bespreking tussen Frans en Israel Traas werd Ko van Strien, ambtenaar ter secretarie in Oud Beijerland, in het complot betrokken. Deze stelde een onderzoek in en kwam tot de conclusie, dat er in dit geval een overval op het gebouw van de Rotterdamse Bank zou moeten plaats vinden, waar op een bepaalde tijd ongeveer 14000 bonkaarten in de kluis opgeborgen werden. Van Strien zocht alles tot in de kleinste bijzonderheden uit, maar het bleek, wilde men zeker van zijn zaak zijn, dat de KP dan de beschikking moest hebben over een groot aantal sleutels. Hoewel hij precies meedeelde welke nummers de ploeg moest hebben, zodat het mogelijk was deze eerst bij de bankdirecteur te pikken, meende Johannes, dat dit teveel risico meebracht.

Toen dan besloten was, dat de bank niet gekraakt zou worden, werd er eens op andere plaatsen rondgekeken o.a. bij het postkantoor waar de kaarten aankwamen, maar wanneer? Op zekere avond, eind November, kwam Arie Vermaas bij Israel Traas met de mededeling, dat er zich een pracht gelegenheid zou voordoen. Er was n.l. bij Arie Valkman, die in hetzelfde bedrijf werkzaam was als Vermaas een ambtenaar van het postkantoor gekomen met de vraag of deze hem iemand kon aanwijzen die in staat en bereid was de bonnen mee te pikken als ze zouden komen. Deze jongeman, Aart Andeweg genaamd, had de vorige maand getracht op eigen gelegenheid met de boel te verdwijnen, maar de omvang en het gewicht der pakketten en het ontbreken van een plaats waar deze konden worden opgeborgen, hadden hem weerhouden. Nu kwam hij bij Valkman om te informeren of die soms een mogelijkheid wist. Het was Andeweg bekend, dat Valkman op ruime schaal ‘Trouw’ verspreidde. Na enig overleg werd besloten, dat Nico de Regt als onbekende voor Andeweg, rechtsreeks contact met hem zou opnemen en de zaak verder bespreken. Zo arriveerde op een goede morgen Marinus Post weer op de boerderij van Traas. Met de avond kwam Johannes Post, Jan Wildschut, Jaan Jiskoot en Hilda.


DVD ‘Jaan Jiskoot’ – 1990

Zie website historischbarendrecht.nl 


Nico de Regt was in die tijd bij Traas ondergedoken. Volgens afspraak zou Andeweg, als de buit arriveerde, een briefje deponeren in de brievenbus bij Valkman, terwijl dan s-avonds een ontmoeting zou plaats hebben in de Waterstal tussen Andeweg en Nico en de mannen van Johannes. Marinus opperde het plan om niet alleen de bonkaarten maar ook de aanwezige rijksgelden mee te nemen, daar de uitgaven steeds groter werden en “het verzet” voor de nationale zaak werkte. Dit plan stuitte wel op enige tegenstand, doch na uitvoerige bespreking gingen allen er mee accoord. Na een week van eindeloos wachten, waarbij op gezellige wijze “Oud en Nieuw” werd gevierd, moest tenslotte geconstateerd worden, dat het Centraal Distributiekantoor de bonkaarten zonder gebruikmaking van het postkantoor in de kluis van de Rotterdamse bank had gedeponeerd. Na deze teleurstelling werd besloten tot de volgende maand te wachten. Op vrijdag 14 Januari deelde Andeweg aan Valkman mee, dat de bonkaarten iedere dag konden worden verwacht, maar dat hij een paar dagen met verlof ging, zodat een ander diende te controleren bij de aankomst van de tram of er ook grote pakketten meekwamen die naar het postkantoor werden gebracht en die uit Haarlem kwamen.

Deze controle werd door Arie Vermaas waargenomen en hij zag, dat met de tram van 14.00 uur verschillende grote pakketten meekwamen die naar het postkantoor werden overgebracht. Diezelfde middag vertrok Nico naar Barendrecht en had daar een telefonisch gesprek met Andeweg. Nadat deze van het een en ander op de hoogte was gebracht, kwam die tot de conclusie, dat ze het moesten zijn. Dit gesprek vond plaats op zaterdag en daarom zei Andeweg, dat de pakketten niet voor maandag zouden worden weggebracht. Nico moest inmiddels de jongens te Oud Beijerland verzamelen. De ploeg van Johannes was na Nieuwjaar vetrokken. Andeweg zou zelf overkomen om eerst de zending te controleren. Jaan vertrok daarom zondags vroeg naar het “hoofdkwartier” te Rijnsburg, waar ze alleen Marinus aantrof. Deze waarschuwde Jan Wildschut die zich in Geldermalsen bevond. In de loop van de dag werd Ted nog opgezocht , zodat s-avonds om 21.00 uur Marinus, Nico, Jan, Ted en Jaan in Oud Beijerland arriveerden, waar ze Andeweg ontmoetten. Deze was echter na zijn onderzoek in de kluis tot de conclusie gekomen, dat het in hoofdzaak postzegels en andere P.T.T.bescheiden waren. Zodoende vertrokken de KPers dezelfde avond onverrichterzake naar Barendrecht. De volgende morgen vertrokken allen, op Jaan en Nico na, naar Rijnsburg, waar zich bij aankomst een schietpartij met de S.S. voordeed, met als gevolg, dat het “hoofdkwartier” verlegd moest worden, ditmaal naar Breda. Nico keerde weer naar Oud Beijerland terug. Donderdagmiddag 20 Januari kwam plotseling het bericht: “De bonkaarten zijn er, vanavond half tien kraken”. Daar nog geen contact was verkregen met het nieuwe hoofdkwartier, zat men even met de handen in het haar, doch het moest doorgaan. Er werd besloten, dat Nico de leiding op zich zou nemen en naar Barendrecht zou gaan om twee pistolen en zo mogelijk nog een man (Piet Dourleijn). Verder zouden meedoen Arie Vermaas, Ko van Strien, Marien Traas en Jan Hensen (een onderduiker uit Berkel), terwijl Jaan Jiskoot als vrouw ook meeging. De afspraak was, dat bij het overnemen van de telefoonwacht, Andeweg de ketting van de buitendeur zou laten. Daarna zouden er drie man in het portaal gaan staan en wanneer de dagtelefoniste de binnendeur uitkwam om naar huis te gaan, zou deze worden teruggedrongen waarna het aanwezige personeel zou worden vastgebonden en de overvallers met de bonnen en het geld zouden verdwijnen. Alles verliep volgens de plannen. Nico, Piet, Jan en Jaan drongen het postkantoor binnen, terwijl de drie Oud Beijerlanders, die zich niet konden laten zien, de buitenwacht betrokken en de buit welke Jaan naar buiten bracht, op hun fietsen vervoerden.

Een gedeelte van de buit t.w. 5000 bonkaarten, 8700 noodinlegvellen en duizenden coupures werden opgeborgen op de zolder van de Gereformeerde Kerk in Oud Beijerland, terwijl een bedrag van  f. 72.000.- werd opgeborgen in de boerderij van Traas, waar ook Frans (Nico), Jaan en Piet een onderkomen vonden tot de andere morgen. Enige dagen later werden de bonnen door Arie Valkman met een auto overgebracht naar Jaan in Barendrecht, waar Johannes ze in ontvangst nam. Het geld werd door Johannes met Hilda bij Traas opgehaald en ter beschikking van de L.O. gesteld met bonkaarten. Het P.T.T. personeel werd nog dezelfde avond verhoord door de politie van Oud Beijerland, die op last van de directeur van het postkantoor, die kort na de overval was verschenen, was gealarmeerd. De twee politieambtenaren Kool en Slieker, die het onderzoek instelden, vonden het kennelijk nodig – gezien hun procesverbaal – om zoveel mogelijk bewijsmateriaal tegen Andeweg aan te voeren. Zij vonden zijn gedragingen verdacht en in hun resumé stelden ze het volgende: “dat het Andeweg te wijten was, dat er bij de overval een buitensporig hoog geldbedrag aanwezig was; dat het teven aan hem te wijten was, dat pakketten waardemateriaal aanwezig waren die besteld hadden moeten zijn; dat hij het er kennelijk op aangelegd had die pakketten in het postkantoor te houden en ze opzettelijk niet liet wegbrengen, terwijl daarvoor wel personeel aanwezig was en de leider van het plaatselijk distributiekantoor daar telefonisch om vroeg; dat hij terstond na de overval niet die activiteit aan de dag had gelegd ter alarmering van politie-instanties, als van een goed ambtenaar verwacht kon worden; dat door hem in strijd met zijn instructie, nadat hij de nachttelefonist van der Bijl had binnengelaten, de buitendeur van het postkantoor niet op de vereiste wijze was gesloten; waaruit verbalisanten hadden geconcludeerd, dat de kantoorbediende Andeweg aan deze overval mede schuldig was en met de overvallers in verbinding moest hebben gestaan. Verdacht Andeweg werd gearresteerd en aan de Sicherheitsdienst (S.D.) overgegeven.

Ook de directeur van het postkantoor vond het nodig zijn steentje bij te dragen. Volgens hetzelfde procesverbaal verklaarde hij tegenover de politie, dat naar zijn mening, het door de overvallers vastgebondenpersoneel zich gemakkelijk had kunnen losmaken. Bovendien gaf hij later een door hem in de kleedkamer van het postkantoor onder de kapstok van Andeweg gevonden geopende brief aan de Sicherheitsdienst. Dat was dus –om in de terminologie van de verbalisanten te blijven – “het gedrag, dat men van een goed ambtenaar mocht verwachten”. De brief was afkomstig van Jan de Zeeuw uit Numansdorp en hield de voorbereiding in van een nieuwe overval. De S.D. nam de zaak over, Jan de Zeeuw werd ook gearresteerd en later met Aart Andeweg naar het concentratiekamp Amersfoort overgebracht. Na ongeveer 5 maanden (medio Juni 1944) werd voor het Ober Gericht in Utrecht een proces tegen hen gevoerd. Tegen Andeweg werd de doodstraf geëist. De uitspraak werd 14 jaar concentratiekamp. Jan de Zeeuw werd vrijgesproken. Daarna is Andeweg naar een concentratiekamp in Duitsland afgevoerd. Hij overleefde de oorlog maar geestelijk en lichamelijk had hij zijn tol betaald. Na de overval op het postkantoor assisteerden enige leden der groep Zinkweg, tezamen met Wim Boot uit Puttershoek, bij een inbraak bij Viskil in Klaaswaal, die werd uitgevoerd door 4 mannen uit Dordrecht onder leiding van “Zwarte Kees”. Daar de Duitsers via Nederlandse instanties een goede controle hadden op de veestapel en voedselproductie, werd in de nacht van 2 op 3 Maart 1944 in Klaaswaal een inbraak gepleegd in het kantoor van de Plaatselijke Bureauhouder van de Voedselcommissaris, waaronder o.a. de Hoekse Waard ressorteerde. De tip hiervoor kwam van Jaap Koster, wiens broer op dat kantoor werkzaam was. Om de controle teniet te doen werd de gehele nacht gewerkt aan de vernietiging van de administratie die zoveel mogelijk werd verbrand en verscheurd. Jammer, dat een kast met belangrijke gegevens over het hoofd werd gezien , waardoor het geen geslaagde actie werd. Later werd nog getracht wat vertragende invloed uit te oefenen op het herstel van de administratie, door een rondschrijven aan de boeren om geen juiste opgaven te verstrekken, maar veel hielp dat niet.

Omstreeks dezelfde tijd brachten enige leden der groep Zinkweg een bezoek aan de gemeentesecretaris van Nieuw Beijerland. In Februari 1944 werden door het gemeentebestuur in de gemeente gecyclostyleerde biljetten aangeplakt, waarbij de bevolking werd bevolen zich ter gemeentesecretarie te melden voor inschrijving in het bevolkingsregister. Dit register was door de gemeenteambtenaar Henk Smit meegenomen toen hij in Januari 1944 na overleg met de L.O. onderdook n.a.v. T.D.beschikking. De bevolking moest het persoonsbewijs en de stamkaarten (gezinshoofden en alle gezinsleden, dus ook de gevaarlijke jaarklassen 1921 t/m 1924) meebrengen. Op de publicatie waren bepaalde dagen van aanmelding aangegeven. De L.O. maakte een publicatie na, ook gecyclostyleerd, dus en plakte deze over de officieele aankondiging. De inhoud van deze publicatie kwam hierop neer, dat de aanmelding voor inschrijving in het bevolkingsregister met 14 dagen was uitgesteld. Dit hielp echter niet want de gemeentesecretaris was een ijverig en nauwgezet man een hij zette de aanmelding en inschrijving met kracht door. Hierop werd besloten hem dingend onder het oog te brengen, dat hij hiermee moest ophouden. Drie man bezochten hem op een avond in zijn woning. Een hield buiten de wacht en twee gingen naar binnen. Het gesprek vond plaats in de vestibule. Hem werd gezegd, dat de regering in Londen elke medewerking aan de uitvoering van de T.D.beschikking – die deportatie van landgenoten beoogde – ten strengste had verboden. Dat Henk Smit de juiste houding had aangenomen en het meewerken aan deze maatregel door verduistering van het bevolkingsregister onmogelijk had gemaakt. Dat “het verzet” niet kon dulden, dat hij met zijn ijver dit goede werk teniet zou doen en door reconstructie van het register landverraad pleegde. Hem werd onder het oog gebracht, dat hij in de gaten zou worden gehouden, terwijl werd aangenomen, dat hij wist wat er met landverraders gebeurde. Hij beloofde plechtig de wenk ter harte te nemen. In April 1944 werd door 2 leden van de groep Zinkweg een lid van de Landwacht (N.S.B.organsiatie die orde-dienst voor de Duitsers verrichtte) onder bedreiging met vuurwapenen, gedwongen zijn jachtgeweer af te geven. De groep zette haar activiteiten voort. Heinenoord had een N.S.B.burgemeester gekregen (Roodzant) en enige notabelen maakten zich erg bezorgd over zijn activiteiten.

Daarom verzochten zij de groep Zinkweg een inbraak te willen plegen in het gemeentehuis. Er werd contact opgenomen met Johannes Post en 2 van zijn mensen bezochten dokter De Broekert in Heinenoord, die als contactpersoon fungeerde. Maar toen bleek, dat het niet om distributiebescheiden ging, meenden ze, dat Zinkweg de zaak zelf wel kon klaren. Lein Rottier, Marien Traas en Arie Vermaas knapten deze zaak op. Op 5 juni 1944, vóór Sperrzeit begaven zij zich per rijwiel naar Heinenoord en verborgen zich in een schuur. Roodzant had de gewoonte om tot s-avonds heel laat door te werken. S-Nachts om half vier gingen zij naar het gemeentehuis en kwamen door inklimming binnen. Een tas met veel bescheiden werd meegenomen en na inzage thuis bleken de vermoedens juist. Roodzant had een aantal personen aangeklaagd bij de Sicherheitsdienst o.a. het hoofd van de Openbare Lagere School en de gereformeerde predikant. Deze konden zich bijtijds uit de voeten maken. Diezelfde morgen begon de geallieerde invasie in Normandië. In September 1944 werd uit verschillende L.O. leden der groep Zinkweg, aangevuld met enige anderen, een knokploeg (KP) samengesteld waarover Theo le Grand, die eind 1943 in contact was gekomen met Flip Leenman, de leiding kreeg. De oorspronkelijke groep bestond uit religieus gemotiveerde mensen, alles afkomstig uit Gereformeerde en Nederlands hervormde milieus. Door de komst van nieuwe mensen die niet direct kerkelijk gericht waren maar meer werden gedreven door nationale gevoelens werd, wat de KP betreft het beeld wat genuanceerder. De verstandhouding onderling en ook met de andere L.O. medewerkers was altijd prima. Er werd zeer nauw samengewerkt en er was een frequent contact tussen L.O. en KP. Bovendien was er een veelvuldig contact ontstaan tussen de groep Zinkweg en Wim van der Linden uit Heinenoord, Ton Overhof uit s-Gravendeel, Jaap Koster uit Klaaswaal en Wim Boot uit Puttershoek. De KP die werd samengesteld bestond uit de volgende personen:

  1. Theo le Grand (schuilnaam Joop)
  2. Flip Leenman (schuilnaam Karel)
  3. Piet Lips (schuilnaam Leen)
  4. Arie Vermaas (schuilnaam Lies)
  5. Mees Weeda (schuilnaam Nico)
  6. Marien Traas (schuilnaam Han)
  7. Lein Rottier (schuilnaam Jaap)
  8. Paul Visser (schuilnaam Cor)
  9. Cees van Rees (schuilnaam George)
  10. Piet Hage (schuilnaam Ben)
  11. Leen Hage (schuilnaam Daan)
  12. Bas Stok (schuilnaam Freek).

De meeste van deze mensen hadden hun sporen in het verzet reeds lang verdiend. De start van Theo le Grand in de illegaliteit was van een ander vertrekpunt uitgegaan dan die van de groep Zinkweg n.l. vanuit werkzaamheden voor de “Zeemanspot”. Bij het uitbreken van de oorlog in Mei 1940 diende hij bij de Koninklijke Marechaussee op de brigade Loosduinen, na vooraf 4 jaar bij het 22ste Regiment Infanterie te hebben gediend, waarvan 3 jaar vrijwillig als onderofficier. Op 1 oktober 1941 werd hij als wachtmeester der Marechaussee op de pas opgerichte brigade Zuid Beijerland geplaatst. Via de Rijksveldwachter C. van Mastrigt, wonende aan de Greup onder Oud Beijerland, kwam hij in de herfst van 1942 in contact met ene “Brouwer” uit Dordrecht die voor de “Zeemanspot” werkte, een organisatie die de gezinnen der zeevarenden die voor de geallieerden voeren, materieel steunde. De Duitsers begonnen n.l. aan maatregelen om de uitkeringen der scheepvaartmaatschappijen aan die gezinnen te stoppen. Tot begin 1944 heeft hij voor de “Zeemanspot” (later N.S.F.) leningen afgesloten. Brouwer kwam het geld regelmatig innen maar na de inundatie en evacuatie van het zuiden der Hoeksche Waard kwam hij niet meer, mogelijk omdat de verbindingen met het eiland hoe langer hoe moeilijker werden. Het waren rentvrije leningen met als minimumbedrag f.500, een aanzienlijk bedrag voor die tijd als men bedenkt dat een arbeidersgezin van f. 100 in de maand moest leven. Beneden dat bedrag werd een “gift” die niet teruggevorderd kon worden. Het was een verboden organisatie die genoopt was illegaal te werken. Het ging als volgt; De geldschieter gaf een bedrag van b.v. f.500 met daarbij een zilverbon van fl. 1 (betaalmiddel in die tijd). Het geleende geld ging met de zilverbon via Brouwer naar het fonds, waar het nummer van de bon werd geregistreerd en een handtekening erover werd geschreven. Zo kreeg de eigenaar hem langs dezelfde weg terug. Namen werden dus niet geregistreerd, alleen nummers.



Er was gezegd, dat de Nederlandse regering in Engeland garant stond voor het geld, hetgeen later bleek te kloppen, maar tijdens de oorlog was het een kwestie van vertrouwen. Na de oorlog kregen alle mensen die op deze wijze een lening hadden afgesloten, tegen inlevering van de zilverbon, het geld terug. Twee families die als “rijk” bekend stonden, weigerden een lening af te sluiten omdat ze bang waren na de oorlog hun geld niet terug te krijgen. Een par kilo tarwe wilden ze wel geven maar op dat aanbod is niet ingegaan. In 1943 werd de “Zeemanspot” opgenomen in het Nationaal Steun Fonds (N.S.F.), dat ook illegale organisaties zoals L.O. en L.K.P. financieel steunde. Via Brouwer kwam le Grand in contact met Jaap Koster in Klaaswaal en zo verzeilde hij in een streekorganisatie voor hulp aan onderduikers, die destijds maar zeer klein was en in elke gemeente slechts een enkel contact had. De verspreiding van illegale pers was ook één van de activiteiten. In Zuid Beijerland had hij losse contacten met Piet Groeneweg, Paul Konijnendijk en Tuk. In Goudswaard een eenmalig contact met dominee Fokkema, Nederlands Hervormd predikant aldaar, die zoals in het L.O. verslag is vermeld, in een concentratiekamp overleed. In 1943 kreeg hij een verzoek om een illegale vergadering bij te wonen waar ook Groeneweg, Tuk en Konijnendijk aanwezig bleken te zijn. Kennelijk waren dus alleen de gereformeerden uitgenodigd. Diepenhorst uit Strijen voerde het woord. Toen het doel van de bijeenkomst tot le Grand doordrong n.l. activiteiten te gaan ontplooien om direct na de oorlog met een Anti Revolutionaire Partij klaar te staan, haakte hij af. Hij voelde er weinig voor om in dat stadium van de oorlog zich druk te maken over de politieke situatie na de bevrijding, terwijl er nog zo ontzaglijk veel was te doen aan zaken die om een directe oplossing vroegen, zoals het plaatsen van onderduikers, hetgeen hij ter vergadering ook zei. Diepenhorst nam hem dat niet in dank af. Eind 1943 kwam hij in contact met Flip Leenman van de groep Zinkweg, die toen was aangesloten bij de L.O. en ook de verspreiding van de illegale pers verzorgde. Begin 1944 nam dominee Schiebaan, gereformeerd predikant in Heinenoord, contact met le Grand op. Hij verborg een Joodse familie in zijn huis die valse persoonsbewijzen nodig had. Op een avond kwam hij met de Joodse man aan.

In Nieuw Beijerland is deze zaak toen geregeld door Wenthold, die daar na het verdwijnen van Henk Smit, gemeenteambtenaar was geworden. Enige tijd later werden bij een inval in zijn woning, dominee Schiebaan en ook de Joodse familie gearresteerd en naar concentratiekampen gebracht. Schiebaan kwam uit Vught vrij op voorspraak van zijn broer die Hauptsturmführer bij de Waffen SS was. Na de oorlog ontmoette le Grand in een boekhandel in Delft de Joodse man die de oorlog had overleefd. Hij vertelde, dat zijn vrouw en dochter in het concentratiekamp waren omgekomen. Medio 1944 vroeg Leenman aan le Grand of hij een weg wist om aan wapens te komen. Deze deed een poging daartoe en begaf zich naar Gelderland waar hij gewezen beroepsmilitairen uit het voormalige Nederlandse leger kende. Op die trip kreeg hij via een relatie ook een gesprek met Frits de Zwerver (dominee Slomp) de leider der L.O. die toen in Oosterbeek was ondergedoken nadat hij uit de gevangenis in Arnhem was bevrijd door de KP van Bob Scheepstra. De missie bleef zonder resultaat. In dezelfde tijd werd le Grand benaderd door ene “van der Velden” (schuilnaam) die hem in contact bracht met de Rotterdamse KP leider “Paul” (Samuel Esmeijer, later bij een verkenning van een SS kazerne in Apeldoorn doodgeschoten). De KP Rotterdam wilde n.l. een overval uitvoeren op de stoomtram naar de Hoeksche Waard als de distributiekaarten voor Oud Beijerland werden vervoerd. Zij vroegen zijn medewerking waarbij hij Cees van Rees inschakelde die conducteur op de tram was. Die deed zijn best, maar het tijdstip van vervoer was steeds niet te achterhalen, daar dit zeer geheim werd gehouden. Daarom werd besloten het distributiekantoor in Oud Beijerland te overvallen als de bonkaarten daar arriveerden. Hiertoe bracht Paul hem in contact met een andere Rotterdamse KP leider “Rob” (Marinus van der Stoep, die later bij een door verraad mislukte overval op een S.D. Stelle aan e van Ouddorpweg te Rotterdam werd doodgeschoten). Rob zou met zijn ploeg de overval uitvoeren en kwam voor verkenning naar de Hoekse Waard, waar hij enige dagen ten huize van de weduwe Stok te Nieuw Beijerland verbleef.

De overval zou geen eenvoudig karwei worden. Vlak naast het distributiekantoor was het politiebureau gevestigd waar de NSBer G.H. van der Tholen, opperluitenant der Staatspolitie, de scepter zwaaide. Besloten werd, dat het politiebureau ook overvallen en bezet zou worden waarbij Le Grand medewerking zou verlenen om na de overval met de KP mee te trekken en onder te duiken. Indien nodig, zou met van der Tholen korte metten worden gemaakt. Begin September zou de overval plaats vinden, maar doordat de geallieerde legers, die na de invasie 2 maanden hadden “vastgezeten” ineens in hoog tempo oprukten en Parijs, Brussel en Antwerpen werden bevrijd, verviel het plan daar het er op leek, dat de oorlog ging aflopen. Rob vroeg le Grand onder te duiken en in zijn ploeg te komen, hetgeen hij deed. Dat onderduiken was reeds in de zomer van 1944 voorbereid. Omdat bij onderduiken van (politie)ambtenaren de familieleden werden gearresteerd en naar een concentratiekamp gezonden, had hij zijn moeder, een weduwe die in Rotterdam woonde, geadviseerd ook onder te duiken en wel in de Achterhoek waar ook zijn jongste broer sinds het voorjaar 1943 was ondergedoken. Zij ging er heen. Bij de ouders van een vroegere vriend uit Rotterdam, die in 1941 was gearresteerd na een mislukte poging om naar Engeland over te steken en begin 1944 in een concentratiekamp was gestorven, vond hij een duikadres (familie Buitenhuis). Dat iedereen er in die dagen van overtuigd was, dat de oorlog afliep blijkt uit het volgende. Op “dolle dinsdag” – toen veel NSBers en Duitsers het hazepad kozen – verzamelden zich 4 knokploegen die in Rotterdam opereerden (totaal ongeveer 50 man) in de Christelijke Ambachtsschool aan de Gordelweg, waar Paul instructies gaf. De KP van Rob kreeg de opdracht het waterleidingsbedrijf op Kralingen te bezetten en te beveiligen tegen Duitse Sprengcommado’s. Met 12 man zijn ze erheen gegaan, hebben de politieagenten die het terrein bewaakten ontwapend en de NSB directeur, alsmede een assistent opgesloten. Vervolgens werd gewacht op de komst van de geallieerden. De andere KP’s hadden soortgelijke opdrachten bij o.a. de Maastunnel, de Maasbruggen enz. Toen de geallieerde legers niet doorkwamen maar in Brabant stopten, kwam de opdracht (om 20.00 uur) alle acties te staken en de bezetting op te heffen. De gevangen werden weer vrijgelaten en de KP vertrok.

Ongeveer een week later ontving de ploeg instructies van een gedropte sabotage-gent uit Engeland., in het aanbrengen van sabotagemateriaal (limpet-mines, plastic, time-pencils enz.). De KP van Rob kreeg hierna de opdracht om de spoorbrug bij Kethel, onder Schiedam, op te blazen om het treinverkeer – vooral het geoderenvervoer voor de Wehrmacht – tussen Den Haag en Rotterdam uit te schakelen. Onder leiding van Rob is deze actie met 6 man uitgevoerd. In de nacht zijn ze er heengegaan in een politieauto, omdat een Duitse wachtpost moest worden gepasseerd. Rob had le Grand meegenomen als oud militair maar deze had in het leger nooit met springstof gewerkt en van het Engelse plastic kende hij ook de kracht niet, zodat hij over de benodigde hoeveelheid van de lading niets kon zeggen. Op goed geluk zijn er een aantal staven plastic gekneed en aangebracht vermoedelijk een te grote hoeveelheid voor deze brug. Om 5 uur werd een time-pencil van een halfuur ingedrukt en om 05.30 uur vloog de brug eruit. Pas na de oorlog is de brug hersteld en kon de trein op dat traject weer rijden. Eind September 1944 keerde le Grand naar de Hoekse Waard terug, waar hij door de groep Zinkweg aan een onderduikadres werd geholpen bij de familie van der Meer (de buurman van Traas). Hij ging, zoals reeds vermeld de KP Zinkweg leiden maar tegelijkertijd moesten de Binnenlandse Strijdkrachten waarvan Prins Bernhard bevelhebber werd, worden opgericht. De verschillende illegale organisaties kregen opdracht zich te bundelen en militaire eenheden te formeren rond de bestaande kernen. Er kwam een Strijdend Gedeelte (S.G.) en een Niet Strijdend Gedeelte of Bewakingstroepen (B.T.). Het Strijdend Gedeelte kreeg de taak de geallieerde legers te ondersteunen bij toekomstige operaties in ons land. De KP’s werden logischerwijze de kernen van dit Strijdend Gedeelte. Het Niet Strijdend Gedeelte werd geformeerd uit de Orde Dienst (O.D.) een organisatie die in actie zou komen om de orde te handhaven als de vijand weg was. Zij beschikte niet over wapens. Commandant hiervan in Oud Beijerland was Leen van As. Zijn adjudant was Cees Heshof.

Het District Dordrecht formeerde 2 bataljons Strijdend Gedeelte. De Hoekse waard werd als 5e compagnie ingedeeld bij het 1ste bataljon S.G. Dordrecht stuurde een compagniescommandant (Simon de Vries). Het was geen gelukkige greep. Hij was een man van omstreeks 40 jaar die in hoofdzaak op eigen voordeel uit was. Hij woonde enige maanden met zijn gezin als ‘evacué’ bij de weduwe Vermaas in Oud Beijerland. Er kwamen in de Hoekse Waard 5 secties S.G. van de grond t.w. 1e sectie s-Gravendeel (Ton Overhof). 2de sectie Strijen (Perduin), 3de sectie Klaaswaal (Jaap Koster), 4de sectie Puttershoek/Maasdam (Beun/Vogelaar) 5de sectie Oud Beijerland/Heinenoord/Nieuw Beijerland (le Grand). De vijfde sectie bestond uit 6 groepen. Groep 1 Oud Beijerland / Flip Leenman (11 man), Groep 2 Oud Beijerland / Jan Sijmons (10 man), Groep 3 Oud Beijerland / Jilles Traas (10 man), Groep 4 Oud Beijerland / Arie Valkman (10 man), Groep 5 Heinenoord / Wim van der Linden (22 man), Groep 6 Nieuw Beijerland / Cor van Driel (12 man). Gezien de sterkte van deze sectie werd zij ook wel peloton genoemd. Zoals in het begin reeds is opgemerkt, waren de oorspronkelijke verzetskernen in de steden en dorpen niet groot, zodat voor de samenstelling van militaire eenheden een overgroot gedeelte gerekruteerd moest worden uit mensen die slechts weinig of soms helemaal geen verzetswerk hadden gedaan, maar wel als bruikbaar werden aangemerkt b.v. omdat zij vóór de oorlog in militaire dienst waren geweest. Er moest met een grove zeef worden gewerkt, daar volledig nagaan van de antecedenten vaak niet mogelijk was en er toch militaire eenheden moesten komen. Daarnaast zochten velen – nu het einde in zicht kwam – contact met het “verzet”. Sommige om een “verleden” goed te maken en anderen met de gedachte hiervan na de oorlog profijt te kunnen hebben. Zo slopen er figuren binnen met verschillende motieven, die maar beter weg hadden kunnen blijven. Wat de burgerij na de oorlog dan ook als “het verzet” voor de dag zag komen in overall met witte band, was voor 80% het eind 1944 gerekruteerde personeel voor de Binnenlandse Strijdkrachten.

De B.S. groepen begonnen een training in militair optreden en na de wapendroppings werden zij gedeeltelijk van wapens voorzien. Dordrecht zond 2 instructeurs naar de Hoekse Waard die bij de verschillende secties wapeninstructies gaven n.l. Anton de Haas en Nicolaas Bout (Kees en Piet), later in Rotterdam gefusilleerd. De KP Zinkweg zette inmiddels de activiteiten voort. In September 1944 werd de inventaris van het gemeentehuis te Nieuw Beijerland – in samenwerking met de ondergedoken burgemeester Hammer – weggehaald. Eind September 1944 werd een gemeenteambtenaar uit Mijnsheerenland, die de Duitse bevelen al te serieus opvolgde, onder bedreiging opdracht gegeven tot sabotage in de bevolkingsadministratie. Op 12 Oktober 1944 werd bij de opperluitenant der Staatspolitie G.H. van der Tholen, die met zijn gezin was vertrokken, een inbraak gepleegd. De toegang tot de woning werd geforceerd door het indrukken van een ruit aan de achterkant. Om 20.00 uur (Sperrzeit) gingen 4 KPers naar binnen en na de woning eerst met kleedjes enz. verduisterd te hebben, doorzochten zij de gehele nacht de woning. Om beurten gingen 2 tegelijk slapen op de bedden van de familie. S-Morgens vroeg kwam Piet Hage met een auto de buit ophalen. Behalve de administratie werd ook het politieuniform met pet en laarzen meegenomen. Er werd een brief aangetroffen, door iemand uit de Hoekse Waard geschreven, waarin de aandacht van van der Tholen werd gevraagd voor de “Oranje Bolsjewist” dominee Schiebaan uit Heinenoord. Deze had volgens de briefschrijver zondags nog gepreekt over “het briesend paard, dat eindelijk moest sneven”. Zoals vermeld, is Schiebaan in het voorjaar van 1944 gearresteerd. Of deze arrestatie een gevolg was van die brief is nooit helemaal duidelijk geworden. Op 16 en 17 Oktober 1944 werden uit het Gemeentehuis te Oud Beijerland waar op 16 Oktober de burgemeester en het secretariepersoneel onderdook terwijl ze alles achter lieten en er een NSB burgemeester was benoemd (Roodzant uit Heinenoord) de volgende voorwerpen weggehaald: Het bevolkingsregister, een aantal blanco persoonsbewijzen, twee radio’s en een aantal dekens, gasmaskers en helmen. De woning van de burgemeester werd na zijn onderduiken door de Duitsers in brand gestoken.


Foto ‘Bevolkingsregister Oud-Beijerland – 1945

Het ‘gekraakte’ bevolkingsregister van Oud-Beijerland werd triomfantelijk rondgereden na de bevrijding. Op de foto Marien Hage en Jan Langeveld.


In Nieuw Beijerland werd op 18 Oktober 1944 een luxe auto, chevrolet, die op het punt stond gevorderd te worden door de Duitsers, bij dokter Dorenbosch weggehaald. Voor deze gelegenheid had Piet Lips zich in het uniform van de opperluitenant van der Tholen gestoken. De auto werd grijs geschilderd in de Wehrmachtskleur en is daarna meermalen gebruikt bij het wapenvervoer. Na de oorlog is hij aan de dokter teruggegeven. Op 19 Oktober 1944 werd het rijwiel van de NSBer van Hees, die ook commandant van de Landwacht was (een Duitse hulporganisatie) door de KP weggehaald. In de fietstas bevonden zich zijn bewijzen van lidmaatschap van de N.S.B. en van de Landwacht Nederland. Inmiddels was de KP Zinkweg – die nu onder de vlag van de Binnenlandse Strijdkrachten opereerde – aangewezen om wapendroppings voor het District Dordrecht te verzorgen. In totaal zijn er in de Hoekse Waard 3 wapendroppings geweest en wel op 24 Oktober, op 30 Oktober en op 2 November 1944. Zij vonden plaats op een stukje weiland naast de boerderij van Jan Monster aan de Nieuw Beijerlandse Lange weg. Behalve de 12 leden van de KP Zinkweg waren daarbij ook betrokken 3 seiners uit Dordrecht o.a. “Jan Bad”. Vervolgens een contactpersoon uit Dordrecht genaamd “Willy”en Wim Boot uit Puttershoek. Bovendien waren Jan Hage uit Zuid Beijerland, alsmede Klaas van Bergeyk (ome Klaas) en zijn broer Tinus uit Piershil ook van de partij, deze laatste met paarden luchtbandenwagens om de containers te vervoeren. In totaal dus 20 personen. De droppings vonden plaats gedurende “Sperrzeit” dus na 20.00 uur. Daar er in de omgeving Duitse militairen waren ingekwartierd, was het een riskante onderneming (op het in bezit hebben van 1 vuurwapen stond al de doodstraf). Het terrein, dat door het District Dordrecht aan Engeland was opgegeven was door de Royal Air Force (R.A.F.) vanuit de lucht bekeken en goedgekeurd. Het moest aan verschillende voorwaarden voldoen t.w. het moest afgelegen zijn, er mocht geen luchtafweergeschut (Flak) in de buurt staan, het land mocht niet te drassig zijn en niet teveel door sloten omringd. In de onmiddellijke nabijheid mochten zich geen Duitsers bevinden. Daar in een boerderij aan dezelfde weg Duitsers waren ingekwartierd werd dit eveneens doorgegeven. De R.A.F. deed een poging om die boerderij te bombarderen maar wierp de bom verkeerd n.l. vlak naast de schuur van Jan Monster bij het droppingsterrein.

De schuur werd niet geraakt maar wel ontzet. Vervolgens zijn de droppings gewoon doorgegaan ondanks de aanwezigheid van Duitsers. Het ging als volgt in zijn werk. Er waren met Engeland verschillende code-zinnen afgesproken, waarvan enige o.a. luidden: “geef me nog een glaasje”, “goud is niet zo goed als zilver”, “Jan komt vanavond koffie drinken”, “de maan schijnt helder”. Er moest s-Middags om 13.00 uur naar de Belgische uitzending (Vlaams) uit Londen worden geluisterd. Als tussen de nieuwsberichten door zo’n code-zin werd uitgesproken dan was er een mogelijkheid, dat er dezelfde nacht gedropt werd. De KPers werden dan gewaarschuwd, dat zij om 19.30 uur in de stal van Vink in de Oosthoek (Piershil) aanwezig moesten zijn. De mensen uit Dordrecht hadden zelf ook geluisterd en waren altijd present. Vervolgens moest s-avonds om 19.45 uur opnieuw worden geluisterd. Werd de zin herhaald dan was het zeker, dat het vliegtuig zou komen. Even later werd dan in dezelfde uitzending een tweede code-zin doorgegeven, die de tijd van het vliegtuig aangaf. De tijden lagen tussen 22.00 en 24.00 uur, tussen 24.00 en 02.00 uur en 02.00 en 04.00 uur. Tegen de opgegeven tijd begaf de groep zich naar het droppingsterrein. De mensen werden over het veld verdeeld, aan de randen bewakers, bewapend met pistool en de seiners namen hun positie in. Het vliegtuig kwam meestal gelijktijdig met eskaders die Duitsland gingen bombarderen. Maakte op de opgegeven tijd een toestel een solovlucht over het droppingsterrein dan deden de seiners in één lijn op de windrichting hun lampen even aan – rood – wit – rood, terwijl “Jan Bad” met zijn lamp een sein gaf. Als het het bewuste vliegtuig was dan knipperde het met zijn lichten, maakte een grote boog over het dorp Nieuw Beijerland en kwam vervolgens op een hoogte van amper 200 m aanstormen. De seiners deden opnieuw hun werk en pal boven het terrein liet het vliegtuig 27 containers aan parachutes los, om vervolgens door te vliegen. Het eerste werk was dan de parachutes los maken en met paard en wagen de containers en parachutes verzamelen. Deze werden na de eerste dropping naar de boerderij van Hage te Zuid Beijerland vervoerd, waar s-nachts nog alle wapens werden uitgepakt en in het stro verborgen. De containers werden naar een leegstaande woning in het geïnundeerde gebeid gereden en vervolgens in het water gegooid. Bij de volgende droppings werden ze ook in dat gebied uitgepakt. Per dropping werd 3 á 4 ton wapens afgeworpen, in totaal dus 10 á 12 ton. Over het algemeen waren het stenguns, handgranaten, munitie, soms een brengun en een keer een bazooka, ook verbandmiddelen, soms chocolade.


Geluidsfragment Theo le Grand – 2005

Dit geluidsfragment is afkomstig uit de documentaire ‘het Eiland en de oorlog‘, welke werd uitgezonden in 2005 op Radio Hoeksche Waard.

Geplaatst met speciale toestemming van Omroep Hoeksche Waard, 96.fm en diverse kabelfrequenties

voor de GEHELE Hoeksche Waard en elders via stream omroephw.nl


De containers waren metalen sigaarvormige trommels van ongeveer 2,5 m lengte. Zij waren loodzwaar en gingen moeilijk open. Als alles uitgepakt en opgeborgen was, hetgeen een hele tijd vergde, ging de ploeg naar huis en s-morgens vroeg als het licht werd, controleerden enige mensen het droppingsterrein en omgeving of er soms iets was achtergebleven, hetgeen na de eerste dropping het geval was. Een container werd nog gevonden en in veiligheid gebracht. Het vliegtuig voor de Hoekse Waard heeft zijn lading altijd perfect afgeworpen, hoewel het terrein betrekkelijk klein was. Twee keer heeft de ploeg voor niets gezeten. De code-zinnen waren doorgekomen maar het vliegtuig verscheen niet. Mogelijk neergeschoten of pech gekregen. Vervolgens moesten de wapens naar Dordrecht worden vervoerd en een gedeelte over de Hoekse waard worden verdeeld, zoals Strijen, s-Gravendeel, Klaaswaal, Oud Beijerland, Nieuw Beijerland, Heinenoord en Puttershoek. Verschillende zendingen zijn met de uit Nieuw Beijerland weggehaalde chevrolet van de dokter vervoerd naar o.a. Ton Overhof in s-Gravendeel, die voor verder transport zorgde o.a. naar Dordrecht via een beurtschipper. Dat het een goede gedachte was om de auto van de dokter in de Wehrmachtskleur te schilderen, moge uit het volgende blijken. De eerste zending stenguns, handgranaten en munitie werd naar s-Gravendeel gebracht door Arie Vermaas en Theo le Grand, die bij Maasdam op een Duitse controlepost stuitten. De Duitsers gingen op de weg staan en gaven een stopteken. Terugkeren kon niet meer en stoppen betekende arrestatie en dood. Daarom werd met vol gas doorgereden. De Duitsers sprongen opzij en een wachtpost die verderop stond, salueerde. Verder deden zij niets, vermoedelijk in de veronderstelling, dat het een Wehrmachtswagen was met autoriteiten. De wapens werden veilig bij Overhof afgeleverd. Bij één der volgende zendingen naar s-Gravendeel, die vervoerd werd door Cees van Rees en Piet Lips, stond opnieuw een wachtpost bij Maasdam op de weg. Bij het naderen van de auto sprong hij in de houding, zodat ook deze lading veilig bij Overhof kwam. Dat men niet alleen voor vijanden moest uitkijken maar ook voor vrienden was de ervaring van Flip Leenman. Hij vervoerde een vracht wapens met paard en wagen, geleend van ome Klaas. De wapens waren onder stro verborgen.

Plotseling kwamen er Engelse vliegers aangieren. Zij schoten op alles wat zich op de weg bewoog (Na de verovering van Brabant was de Hoekse Waard immers frontgebied geworden). Flip stopte het paard en dook onder de wagen , tegelijk met twee Duitse militairen die kwamen aanrennen. Zo zaten ze gedrieën naast elkaar onder de wagen, de Duitsers weggedoken voor hun vijanden en Flip voor zijn vrienden. Toen de vliegtuigen weg waren ging een ieder zijns weegs. Er zijn ook zendingen wapens opgehaald met een tankauto voor melk uit Maasdam bestuurd door Piet Hollestein en eenmaal heeft Dordrecht een Rijkspolitieboot naar Piershil gestuurd om een lading op te halen. De KP activiteiten bleven eveneens doorgaan. Op 31 Oktober 1944 werd door middel van braak 14 paar rubber laarzen weggehaald uit de gemeenteopslagplaats te Oud Beijerland. Die laarzen hadden de mensen nodig bij de wapendroppings. Op 10 November 1944 staken Wim Boot en Piet Snel uit Puttershoek, Wim Baars uit s-Gravendeel en Flip Leenman van de groep Zinkweg vanuit Goudswaard in en roeiboot naar Willemstad in het bevrijde Brabant over om contact op te nemen met de geallieerden. Het was een moeilijke tocht en volgens Leenman zouden ze het zonder Wim Baars, die als schipper meeging en goed bekend was op het water in die streek, nooit hebben gered. Zij keerden op 20 November 1944 terug en brachten een operator mee die zend-materiaal bij zich had. Deze jongen (Sjaak) had een Belgische vader en een Engelse moeder (of andersom). Volgens zijn mededelingen vertoefde hij bij het uitbreken van de oorlog in Engeland, waar hij een parachutistenopleiding had gehad. Hij kwam mee naar bezet gebied om Duitse troepenbewegingen en sterkten door te geven aan de geallieerden, waarbij hij hulp ontving van mensen van de groep Zinkweg. Sjaak voeg een keer, na contact met de overkant te hebben gehad, of het bekend was waar het Duitse onderdeel “Haas” zich bevond. Na kilometers door de Hoekse Waard te hebben gefietst, vonden Piet Lips en Cees van Rees het gezochte onderdeel in Westmaas. Bij een boerderij stond n.l. een bord waarop een haas was getekend. Jan Langeveld – een broer van dominee Langeveld – die eveneens in de Hoekse Waard was ondergedoken en in het inlichtingenwerk zat, werd met Sjaak in contact gebracht, die hem vervolgens opdrachten gaf.

Doordat de Hoekse Waard “frontgebied” was geworden, waren alle gegevens van direct belang voor de geallieerden. Zonder speciale vergunning van de Duitse autoriteiten mocht niemand de Hoekse Waard in of uit. Overal werd gecontroleerd. Sjaak werd enige dagen ondergebracht op de boerderij van Traas, waar op dat ogenblik ook Duitsers waren ingekwartierd. De onderofficieren woonden in de keuken, de manschappen in de schuur. Het was een goede dekmantel want niemand zou daar een geallieerde operator zoeken. Vervolgens werd hij ondergebracht bij de weduwe IJzerman te Nieuw Beijerland. Vanuit die woning trachtte hij zijn berichten over te zenden, maar hij kon geen contact met de overkant krijgen. Mogelijk was de woning te laag en stond zijn antenne niet hoog genoeg. Daar de pastorie van de ondergedoken ds Langeveld een stuk hoger was, werd het vandaaruit geprobeerd, hetgeen lukte. Daarna heeft hij regelmatig zijn berichten vanuit de pastorie overgeseind. Hij kon er vrij gemakkelijk in en uitgaan omdat het gezin van ds Langeveld en ds Speelman daar nog woonden. Na 10 dagen moest hij verplaatst worden daar er in het dorp Duitse radio-peilwagens werden gesignaleerd. Opnieuw werd hij naar de boerderij van Traas gebracht, waar hij zijn zendwerkzaamheden voortzette. Toen de radio-peilwagen in die buurt ook verscheen, werd hij naar de boerderij van Hage te Zuid Beijerland gebracht, van waaruit hij eveneens uitzond. Vervolgens is hij weer enige weken naar Traas gegaan en daarna in opdracht van het District Dordrecht naar de Alblasserwaard vertrokken. Jan Langeveld zette het inlichtingenwerk voort, daarbij geassisteerd door Cees van Rees en Piet Lips. Hij werkte voor de groep “Albrecht” (militaire spionagegroep) en gaf zijn inlichtingen nu via andere kanalen door. Later had hij ook een S-phone verbinding met een geallieerd vliegtuig, dat op bepaalde tijden ten zuiden van de Hoekse Waard vloog. Voor de inlichtingendienst werden ook contacten gelegd op Voorne en Putten. Hiervoor gingen Piet Lips en Cees van Rees regelmatig op stap. Via adressen in Spijkenisse en Oostvoorne kwamen zij bij de directeur van Voorne’s Duin, de heer van Itterson. Hij was gewezen officier van het Nederlandse leger en beschikte over een stel interessante stafkaarten, waarop alle verdedigingswerken aan de kust waren opgenomen, vanaf Hoek van Holland tot voorbij Hellevoetsluis. Een candidaat notaris en een marechaussee werden eveneens benaderd.

In de hierop volgende maanden werden door de KP Zinkweg bij de Duitsers 17 rijwielen weggehaald. Doorlopend werden door de Duitsers fietsen van burgers afgenomen, ook van verzetsmensen. Daar de fiets nog het enige vervoermiddel was , dat was overgebleven en voor het illegale werk rijwielen dringend nodig waren, haal de KP ze dus weer bij de Duitsers weg. Op de wegen werden steeds veelvuldiger controles uitgeoefend. Dat bij die wegcontroles bij de minste verdenking onmiddellijk werd geschoten blijkt uit hetgeen Marien Traas ondervond. Op een ochtend in het najaar van 1944 kwam hij op de fiets uit Westmaas en reed in de richting van Oud Beijerland. Op een gegeven ogenblik hoor de hij in het Duits roepen , dat hij moest stoppen. Hij keek niet om maar ging sneller fietsen. Plotseling werd er achter hem geschoten en hij kreeg een kogel door zijn rechterhand. Hij sprong van zijn fiets, pakte zijn pistool met zijn linkerhand en schoot terug. De Duitser, vermoedelijk van de Feldgendarmerie, sprong in één van de langs de weg gegraven schuttersputjes, waardoor Marien de kans kreeg te ontsnappen. Op 24 November 1944 werd een kist Feldpost (75 brieven) bij de Wehrmacht ontvreemd, benevens een aantal handgranaten.  Op 27 November werd door middel van inklimming uit het distributiekantoor te Oud Beijerland een cyclostyle weggehaald, bestemd voor het illegale streekblad “De Koerier”. Door de gebrekkige verbinding met andere delen van het land – de Hoekse waard was door zijn ligging in de frontlijn immers “Sperrgebiet” geworden – stagneerde de regelmatige toevoer van de landelijke illegale bladen. De L.O. Zinkweg richtte daarom een illegaal streekblad op “De Koerier”. Zij belastte zich met de technische verzorging en verspreiding. Het blad kwam aan het eind van de oorlog 2 keer per week uit (het verslag over “De Koerier” geeft hierover uitvoerige informatie). Op 28 november 1944 werd de motorfiets van de N.S.B. burgemeester Roodzant, uit het gemeentehuis in Oud Beijerland weggehaald. Als represaille mocht de bevolking zich na 19.00 uur niet meer op de straat begeven. In de maand December 1944 werd door groep Zinkweg een poging ondernomen om geallieerde piloten die boven het vaste land van Europa waren neergeschoten, te helpen crossen naar Brabant. In die tijd zijn verschillende piloten de boerderij van Traas gepasseerd in afwachting van een escape naar Brabant.

Op een morgen werd op de boerderij een Amerikaanse piloot afgeleverd die boven Hazerswoude uit zijn vliegtuig was gesprongen. Hij vertelde, dat hij Bob heette, dat hij Mormoon was en uit Salt Lake City kwam, waar hij een sportzaak had. Het toeval wilde, dat in diezelfde tijd ook Sjaak (de operator) op de boerderij vertoefde. Deze checkte met zijn zender de naam en antecedenten van Bob en kreeg bericht, dat het o.k. was. Daarna heeft Bob geholpen bij het coderen en de-coderen van berichten. Hij had nog nooit een Duitse militair gezien en was nu in de gelegenheid hen rustig vanuit het raam te observeren, daar er Duitsers op de boerderij waren ingekwartierd. Voor Nederlanders was dat een gewoon verschijnsel maar het moet voor mensen als Bob toch wel een beklemmend gevoel zijn geweest zo in het hol van de leeuw te moeten leven. Bij avond was er voor hem gelegenheid voor een wandeling op de Zinkweg, onder geleide van één van de gezusters Traas. Nadat hij een aantal weken op de boerderij had vertoefd, werden medio December 1944 door Ton Overhof in de melkauto die ook al wapens had vervoerd, 4 geallieerde militairen gebracht. De auto werd opnieuw bestuurd door Piet Hollestein. Drie van die mannen waren piloten die uit hun aangeschoten toestellen waren gesprongen n.l. een Amerikaan genaamd Proudfit (captain) een Zuid Afrikaan genaamd J.N. Laing uit Burrowstreet Bulawayo South Rodesia, een Tsjech (naam niet bekend) en de vierde was een Fransman die uit krijgsgevangenschap ontsnapt zou zijn, genaamd Pierre Mangin uit La Cour Neuve-Seine. Zij hebben niet lang op de boerderij vertoefd en zijn daarna doorgezonden naar Klaas van Bergeijk in Piershil die hen in woningen in het geïnundeerde gebied onder bracht. In diezelfde tijd arriveerde Ben Beukema uit Rotterdam. Hij werkte voor de Centrale Inlichtingendienst (CID) en wilde naar Brabant om vandaar naar Engeland te gaan en contact op te nemen met enige ministers uit het kabinet Gerbrandy, o.a. met de minister van Boeyen. Hij werd voor de overtocht toegevoegd aan de vier militairen, tezamen met Bob. De bedoeling was, dat zij uit Goudswaard zouden oversteken naar Willemstad. Enige leden der groep Zinkweg loodsten hen op een donkere zaterdagavond door het geïnundeerde gebied en zetten hen in een klaar liggende roeiboot, maar voor onbekenden was deze tocht bij donkere nacht en slecht weer een niet te volbrengen karwei.

De boot stootte ook nog lek en zij waren gedwongen bij Numansdorp weer aan land te gaan, waar zij door enige goede vaderlanders werden geholpen en terecht kwamen bij Jaap Koster in Klaaswaal. Deze verzorgde hen en zond later de vier militairen van Overhof door naar s-Gravendeel, vanwaar ze via Strijen door Wim Boot en Wim Baars naar Brabant (Moerdijk) werden gebracht, tezamen met ene T. van Ham uit Dordrecht. Ben Beukema keerde terug naar Barendrecht, waar hij bij Jaan Jiskoot onderdak vond en Bob, die een zware kou had opgelopen, keerde halfziek terug naar de boerderij van Traas. Twee weken later is hij per rijwiel naar Ton Overhof in s-Gravendeel vertrokken en met behulp van Boot en Baars ook naar Brabant overgestoken. In 1950 bracht hij met zijn vrouw nog eens een bezoek aan de boerderij van Traas. Vlak voor de kerstdagen 1944 kwam Beukema terug om opnieuw een poging tot crossing te wagen. Via Ton Overhof is hij naar Strijen gegaan. Ongeveer dezelfde tijd had Overhof 2 geallieerde piloten ondergebracht die hij via Zwijndrecht had gekregen. Het waren captain Dugdale, die boven Dordrecht uit zijn aangeschoten toestel was gesprongen en captain Olsen, die reeds enige tijd in Zwijndrecht was ondergedoken. Deze twee werden eveneens naar Strijen doorgezonden. De Binnenlandse Strijdkrachten in Strijen zouden de crossing verzorgen maar de groep was inmiddels veel te groot geworden (12 man). De 1e kerstnacht zou de overtocht plaats vinden. De groep liep echter in het verboden gebied tegen Duitse wachtposten op. Twee of drie van de twaalf wisten te ontkomen en zijn liggend op een scheepsluik naar Brabant overgestoken. Verschillende zijn ter plaatste gearresteerd en de rest later op de dag. Allen werden naar het hoofdbureau van politie aan het Haagse Veer in Rotterdam gebracht. Ben Beukema, die bij de strenge vorst in het natte gebied bevroren voeten had opgelopen, werd naar een ziekenhuis gebracht en daar onder bewaking gesteld. Korte tijd later werd hij daar door de KP Rotterdam uitgehaald, waarna hij onderdook bij Jaan Jiskoot in Barendrecht. Twee leden van de B.S. Strijen n.l. D. Sanderse en A.C. Swenne die in verband met deze affaire waren gearresteerd, overleefde de oorlog niet. Zij werden op 7 Februari 1945 gefusilleerd. De twee piloten Dugdale en Olsen werden naar een krijgsgevangenenkamp gebracht en keerden na de oorlog naar huis terug. De overige gevangen hebben na de oorlog eveneens hun vrijheid herkregen.

Op 5 Januari 1945 werd door de KP Zinkweg, een persoon die zich in samenwerking met Duitse militairen regelmatig schuldig maakte aan diefstal van varkens, kippen en levensmiddelen, op de openbare weg een hardhandige afstaffing toegediend.

Op 15 Januari 1945 werd bij de Duitse Wehrmacht een karabijn ontvreemd. Ten behoeve van de L.O. en hongerende stedelingen, werd op 19 januari 1945 10 mud tarwe door middel van een overval bij een zwarthandelaar onder Piershil, weggehaald. Op 22 Januari 1945 werden onder de gemeente Mijnsheerenland 75 handgranaten bij de Duitse Wehrmacht ontvreemd. Op 23 Januari 1945 zijn in Oud Beijerland 4 rijzadels en een aantal dekens bij de Wehrmacht weggehaald. Op 1 Februari 1945 werden door middel van braak bij de regeringsopslaghouder in Oud Beijerland 40 mud koolzaad, 13 mud erwten, 20 mud tarwe en 1 mud capucyners weggehaald ten behoeve van de Binnenlandse Strijdkrachten in de steden en de L.O. die in Oud Beijerland ook zwervende stedelingen van voedsel voorzag. Op 7 februari 1945 zijn bij de Wehrmacht in Oud Beijerland 3 overjassen en een gereedschapskist weggehaald. Op 8 Februari 1945 werd bij een landbouwer in Mijnsheerenland een gefingeerde overval uitgevoerd en 29 mud tarwe en 31 mud erwten weggehaald ten behoeve van de L.O. en de B.S. in de steden. Op 13 Februari 1945 werd door 6 KPers een gewapende overval gepleegd op het gemeentehuis te Nieuw Beijerland. Om binnen te komen had één van hen zich in het uniform van een Duitse soldaat gestoken. De NSB burgemeester Simonis hield n.l. de deur op slot en liet alleen na controle de mensen binnen. Na het zien van “de Duitser” die aanbelde, opende hij de deur, waarop de anderen die om de hoek stonden, het gemeentehuis binnendrongen. Hem werd een pistool onder de neus geduwd. Simonis was afkomstig uit Leidschendam, waar hij ook burgemeester was geweest. Met zijn zoon – een SSer – die tot ambtenaar ter secretarie was gebombardeerd, oefende hij een schrikbewind uit tegen de bevolking. Beiden werden door de KPers in verschillende kamers afgeranseld met een karwats, met de waarschuwing zich koest te houden en hierna ook geen represailles te nemen. De administratie werd tevens meegenomen. Somonis was echter een onverbeterlijke sujet. De volgden de dag liet hij door de Duitsers ongeveer 100 mannen oppakken die naar de Ned.Herv. Kerk werden gebracht.

Een van de leden van de 5e sectie B.S. Klaas Helder (witte Klaas) die in Nieuw Beijerland was ondergedoken, werd ook opgepakt. Hij wist uit de kerk te ontsnappen maar werd tijdens zijn vlucht door zijn strot geschoten. Hij ontsnapte en werd in een ziekenhuis geholpen. Enige dagen later was hij terug. Vanuit de kerk werden de mannen naar Schouwen gezonden, waar zij voor de Wehrmacht moesten werken. Na rapportage van dit geval aan Simon (commandant BS/SG Hoekse waard), gaf deze op 15 Februari 1945 opdracht Simonis te liquideren. Daar na bespreking van deze opdracht de leiders der KP en L.O. er volledig mee instemden, werd deze liquidatie uitgevoerd. Het was bekend, dat Simonis iedere zaterdag op zijn fiets naar zijn woning in Leidschendam ging, ander vervoer was er n.l. niet meer. Daarom is hij op zijn route naar de Barendrechtse brug op zaterdag 17 Februari 1945 door 4 KPers van groep Zinkweg opgewacht. Een KPer ging langs de route zogenaamd zitten vissen. De anderen wachtten in een woning in de buurt, daar zij op de openbare weg te veel zouden opvallen. Toen Simonis voorbij kwam werden zij door de “visser” gewaarschuwd. Zij volgden hem per rijwiel en schoten hem dood op de rijksweg onder de gemeente Heinenoord. De volgende dag, zondag 18 Februari 1945, werden als represaille door de Duitsers ter plaatse 10 Nederlanders gefusilleerd, die gevangen zaten in het Haagse Veer in Rotterdam. Dit was niet voorzien, daar de liquidatie geen Duitser betrof. Er was toen een tijd aangebroken waarin de bezetter op een wanhopige manier trachtte het verzet te breken. Dat is hem nooit gelukt maar er is wel erg onder geleden. Na een dag of veertien waren alle weggevoerde Nieuw Beijerlanders weer thuis. Op 20 Februari 1945 werd Mees Weeda gearresteerd wegens illegale actie. Hij werd overgebracht naar het Haagse Veer in Rotterdam en vervolgens op transport gesteld naar Duitsland. Hij wist echter bij Hilversum uit de trein te springen en meldde zich daarna bij de groep terug.


Verklaring Mees Weeda – 1998

“De tweede keer dat ik ben opgepakt was half februari 1945. Dat was de meest vervelende keer. Dat is verraad geweest. In heb toen gevangen gezeten aan de Noordsingel, het Haagseveer en in Overschie. Ze wisten ook niet wat ze met mij aan moesten. Ik ben op transport gesteld naar Duitsland. Onderweg ben ik uit de trein gesprongen, samen met nog iemand. Dat was mijn bevrijding! Er is toen op mijn geschoten. We stonden midden in het bos en wisten niet waar we waren. Achter bleek dat dit bij Hooge Vuursche was, ik fiets er nu nog wel eens langs. In Utrecht hebben we toen overnacht. Op een adres dat ik in mijn hoofd had. Je kon geen adressen opschrijven in een adresboekje. De volgende dag ben ik naar Rotterdam gelopen, onderweg ben ik beschoten door Engelse jachtvliegtuigen. Het was koud maar de honger was het ergst. In Rotterdam overnachtte ik op een ander adres dat ik mij herinnerde. De mensen had ik van te voren nooit gezien. Met een roeiboot ben ik ’s nachts bij Puttershoek de Oude Maas overgestoken. Mijn intentie was me te melden bij de commandant. Toen ik terug was ben ik ondergedoken bij sportvrienden, maar het leed was nog niet geleden. Op een dag werd er namelijk huis aan huis gezocht naar inzetbare mannen voor Wehrmachtswerk. Dit keer was de dakgoot mijn redding, maar de buurman die mij herkende en mij in Duitsland had gewaand, was er wel van ondersteboven”.

Bron: Profielwerkstuk Lobke Brouwer (6 VWO, 1998) ‘Het verzet in Oud-Beijerland’.


Op 1 Maart 1945 werd ten behoeve en op aanvraag van de L.O. 10 mud kolen weggehaald uit het stoomgemaal te Piershil, hetwelk niet meer werkte. De kolen waren bestemd voor de verwarming van een gebouw in Oud Beijerland, waar rondzwervende hongerende mensen uit de stad die eten kwamen halen, onderdak kregen. Op 6 Maart 1945 werd op het Marktplein te Oud-Beijerland door Arie Vermaas uit een geparkeerde Duitse auto een tas ontvreemd, die alle gegevens bleek te bevatten over de 331ste divisie infanterie. In de tas bevond zich ook een brief, geschreven door een meisje uit Oud Beijerland aan een Duits militair. Arie, die het meisje kende, beging de stommiteit bij een ontmoeting met haar er zijn afkeuring over uit te spreken, dat zij met een Duitser correspondeerde. Het gevolg liet niet lang op zich wachten. Na twee dagen kwam er een Duitser aan de deur en die wilde weten hoe hij aan die brief was gekomen en of hij ook iets van een tas met stukken afwist. Arie vertelde de brief ergens gevonden te hebben en van een tas niets af te weten. Hij moest mee om de plaats te wijzen waar hij die brief gevonden had. Hij wees ergens een plaats aan en hield zich erg onnozel zodat het goed afliep en de Duitser hem liet gaan. Simon, de compagniescommandant van de B.S. die zoals reeds vermeld met zijn gezin bij Arie in huis woonde, werd door het bezoek van de Duitser door paniek bevangen. Hij vertrok naar het oosten van de Hoekse Waard. Oud Beijerland werd hem te gevaarlijk. Op 15 Maart 1945 werd uit een Duitse auto een jachtgeweer ontvreemd. Op 18 Maart 1945 werd Ton Overhof in s-Gravendeel gearresteerd en de volgden de dag per rijwiel tussen twee Duitse militairen in naar Oud Beijerland gebracht. Daar aangekomen wist hij van zijn fiets af te springen en te ontvluchten. De Duitsers begonnen te schieten waardoor een 9 jarig meisje dodelijk werd getroffen. Overhof wist te ontkomen en begaf zich naar de woning van de weduwe Vermaas. Met behulp van Kees Heshof is hij later ondergebracht bij de weduwe van Oeveren aan de Spuidijk te Oud Beijerland, waar hij 14 dagen heeft vertoefd. Via Vogelaar in Kuipersveer (onder Puttershoek) is hij naar s-Gravendeel teruggekeerd, waar hij onderdak kreeg bij Jan Vos, die buiten het dorp woonde. Bij een straatcontrole te Westmaas werden op 26 Maart 1945 de twee instructeurs van de B.S. Kees en Piet (Anton de Haas en Nicolaas Bout) door de Duitsers gearresteerd. Zij werden overgebracht naar Oud Beijerland, waar ze in de Raiffeisenbank werden opgesloten. Dit gebouw was in gebruik bij de Feldgendarmerie.

De compagniescommandant BS/SG – Simon de Vries – gaf aan de KP Zinkweg opdracht de twee instructeurs te bevrijden. Deze opdracht was gespeend van elke realiteitszin. In Oud Beijerland krioelde het van de Duitsers en het Raiffeisengebouw werd zwaar bewaakt. Ook was niet bekend waar de jongens precies zaten. Als er een poging zou zijn gewaagd dan zou het een slachtpartij zijn geworden. Mede gezien de gebeurtenis op de Rijskweg op zondag 18 Februari, leek het niet verantwoord het risico van een vuurgevecht te nemen. De opdracht werd daarom na overleg tussen KP en L.O. terzijde gelegd, nadat bij het bankgebouw nog een verkenning was verricht die volkomen negatief uitpakte. Bout en de Haas zijn kort daarop overgebracht naar het Haagse Veer en op 3 April 1945 als represaille voor een liquidatie in de Hoflaan te Rotterdam, aldaar tegenover de Rooms Katholieke Sint Lambertuskerk gefusilleerd. Na de oorlog trachtte Simon de Vries – die nota bene zelf niet meer in Oud Beijerland durfde te wonen vanwege de vele Duitsers – de KP Zinkweg verantwoordelijk te stellen voor de dood van deze mensen omdat zij niet waren bevrijd. Le Grand werd als leider der groep in Rotterdam ontboden bij de Gewest Commandant BS/SG van der Hoeven (van der Horst) onder wie het district Dordrecht ressorteerde. De groep Zinkweg werd volkomen in het gelijk gesteld tot groot ongenoegen van Simon. Op 10 April 1945 werden uit het kwartier van een Duitse soldaat een pistool en enige kleidingstukken weggehaald. Op 17 Apriil 1945 werden door middel van braak bij de Duitse Wehrmacht te Oud Beijerland 4 mitrailleurs, 2 geweren, 2 machinepistolen en 2 pistolen weggehaald, alsmede onderdelen en munitie. Deze kraak is niet uitgevoerd door de KP Zinkweg maar door de BS groep Valkman, die hierover vooraf overleg had gepleegd met le Grand. Als represaille werden in Oud Beijerland 200 burgers opgepakt en ins-Gravendeel voor de Wehrmacht te werk gesteld. Het merendeel keerde na 2 dagen en de rest na 3 weken terug. Op 23 April 1945 werd door de Duitsers een overval uitgevoerd op de boerderij van Traas, waarbij een aantal mensen werden gearresteerd waardoor de KP Zinkweg zowat werd gehalveerd. Uitgebreid is dit beschreven in het L.O. verslag.

Op 5 Mei 1945 kwam door de radio het bericht, dat Duitsland was gecapituleerd. De Binnenlandse Strijdkrachten kregen bericht zich paraat te houden. Daar bekend was, dat de hoofdcommissaris van politie uit Rotterdam de NSBer Boelstra – tevens politiepresident van Zuid Holland en Zeeland – zich reeds enige tijd schuil hield in een boerderij in de Oosthoek onder Piershil, is hij op de eerste morgen van de bevrijding door enige KPers gearresteerd. Hij had een stengun met geluiddemper onder zijn bed liggen. Hij werd overgebracht naar de H.B.S. in Oud Beijerland, waar alle arrestanten voorlopig onderdak kregen. Enige dagen later is hij aan de Rotterdamse politie, die hem kwam halen, overgedragen. Tezamen met de KP Zinkweg zijn hierna de andere drie BS/SG groepen uit Oud Beijerland, alsmede de O.D. in de H.B.S. ingetrokken.


Foto’s Verzet ‘Knokploegen bij de HBS’ -1945

Op de foto hier onder poseert de Knokploeg Zinkweg bij de ingang van de Rijks H.B.S. te Oud-Beijerland, kort na de bevrijding in mei 1945. Uiterst links op deze foto staat Israël Traas, de zoon van Catharina Traas (die op het monument te Piershil wordt herdacht). Israël was de rayonleider van het verzet in de Hoeksche Waard. De andere 12 mannen zijn de leden van het eerste uur van de beroemde KP Zinkweg. De namen van links naar rechts: Israel Traas, Piet Hage, Leen Hage (voor), Lein Rottier (achter), Marien Traas, Theo le Grand, Arie Vermaas (voor), Piet Lips (achter), Cees van Rees, Mees Weeda (voor), Paul Visser (achter), Bas Stok (achter) en Flip Leenman (voor).

Een andere ‘knokploeg’, eveneens bij de HBS te Oud-Beijerland (Oproep: wie weet welke knokploeg dit is?).


Er werden arrestaties verricht van NSBers, sympathisanten, zwarthandelaren en zgn “moffenmeiden”. Er waren in de Hoekse waard echter nog geen geallieerde troepen. In Oud Beijerland was o.a. een eenheid “Fallschirmjäger” gelegerd waarvan de manschappen zeer provocerend optraden. Zij reden in vrachtauto’s volgeladen met soldaten – het geweer in de aanslag – door het dorp. Omdat dit een explosieve situatie werd zijn Theo le Grand, Flip Leenman, Arie Valkman en Ab Boerman naar de commandant van dat onderdeel gegaan, een Hauptmann die op Creta had gevochten. Hij had n.l. een band met het opschrift “Creta” op zijn mouw. Zij hebben hem verantwoordelijk gesteld voor de discipline in zijn troepen, hetgeen de gewenste uitwerking had. Bij een arrestatie door een B.S. groep op de Zuidzijde onder Nieuw Beijerland, kwam de commandant van een aldaar gelegerde Duitse eenheid – een luitenant die reeds weken lang agressief was opgetreden tegen de bevolking – tussenbeide. Jan Hage hield hem tegen door hem een stengun op zijn borst te zetten. Hem werd te verstaan gegeven, dat Duitsland was gecapituleerd en de B.S. in deze omgeving het gezag hadden overgenomen. Hij kreeg de raad contact met zijn superieuren op te nemen, hetgeen hij aanvaarde. Terwijl de B.S. de handen vol had in Oud Beijerland en omgeving, verliep het bij groep 5 van de sectie, in Heinenoord, ook niet geruisloos. In het haventje van Goidschalksoord lagen op 6 Mei 1945 een vijfentwintigtal Duitsers van de Kriegsmarine en Fallschirmjäger. Zij hadden Cor van der Sluis, een van de B.S. leden van de groep van Wim van der Linden, aangehouden en een wapen op hem aangetroffen.


Afbeelding ‘Bewakingstroepen’ – 14 juni 1945

Ook Arie Duifhuizen hield enkele weken de wacht bij de H.B.S. in Oud-Beijerland. “De mannen zaten de op de bovenste verdieping en de vrouwen en kinderen beneden. Ze zaten niet echt opgesloten maar mochten de verdieping en uiteraard het gebouw niet verlaten”, zo sprak hij op 1 maart 2012.


Wim, die na zijn bevrijding uit het Haagse Veer weer naar Heinenoord was teruggekeerd, had zijn groep verzameld en trok naar Goidschalksoord, waar een vuurgevecht uitbrak tussen de B.S. en de Duitsers. Van der Sluis wist hierdoor te ontkomen en even later gaven de Duitsers zich over. Zij werden ontwapend en naar een woning aan de Westdijk gebracht. Enige uren later werden ze aan de inmiddels gearriveerde commandant der Duitsers, overgegeven. In deze rommelige en onoverzichtelijke dagen kwamen ook de op 23 April gearresteerde KPers vanuit Rotterdam naar de Hoekse Waard terug en sloten zich aan bij hun onderdeel in de H.B.S. te Oud Beijerland. Er werden, hoewel de oorlog was afgelopen, in de Hoekse waard nog verschillende mensen door de Duitsers doodgeschoten o.a.in Mijnsheerenland en zoals in het L.O. verslag is vermeld ook de moeder van “het verzet”, moeder Traas. Gezien al deze ontwikkelingen zijn enige B.S. leden w.o. Ab Boerman, die vloeiend zijn talen sprak, naar s-Gravendeel gegaan waar de eerste Canadese troepen waren gearriveerd. Zij wisten van de commandant gedaan te krijgen, dat hij enige kleine tanks onder commando van een luitenant naar Oud Beijerland zond. Toen deze in de middag van 8 Mei 1945 arriveerden, hielden de Duitsers zich snel koest en na enkele dagen waren ze uit de Hoekse Waard verdwenen. Het Militair Gezag nam in Nederland het gezag over. De oorlog was afgelopen en de strijd gestreden, veelal door jonge mensen. De leeftijden der KPers van de groep Zinkweg varieerden op 5 Mei 1945 bij het einde van de oorlog van 19 tot 29 jaar.