web analytics

Door de site te te blijven gebruiken, gaat u akkoord met het gebruik van cookies. meer informatie

De cookie-instellingen op deze website zijn ingesteld op 'toestaan cookies "om u de beste surfervaring mogelijk. Als u doorgaat met deze website te gebruiken zonder het wijzigen van uw cookie-instellingen of u klikt op "Accepteren" hieronder dan bent u akkoord met deze instellingen.

Sluiten

Oorlogsherinneringen van de jaren 1940-1945, opgetekend door Mej. M.A. ’t Hart – WO2 Hoeksche Waard
WO2 Hoeksche Waard

Oorlogsherinneringen van de jaren 1940-1945, opgetekend door Mej. M.A. ’t Hart

Oorlogsherinneringen van de jaren 1940 – 1945 opgetekend door Mej. M.A. ’t Hart, oud-onderwijzeres van de O.L.S. te Piershil (dit verhaal is gepubliceerd in het boekje Piershil 1940-1945).

Zondagavond, 23 april 1940, kwam Burgemeester Hammer vertellen dat de school ogenblikkelijk ontruimd moest worden voor inkwartiering van onze militairen. Als waarnemend Hoofd der School was ik verantwoordelijk voor de goede gang van zaken. Dat was me een bestel. Alles moest er uit: banken, borden, platen, boeken, schriften, enz. Gelukkig waren er veel mensen bereid tot helpen.

Met 39 leerlingen in de laagste 3 klassen werd ik ondergebracht in de kerk en de heer Baars met de hoogste klassen kreeg als onderdak de opslagplaats achter het woonhuis Voorstraat 21, hoek Koningin Julianastraat. Het was wel even wennen in de kerk. De schoolbanken stonden in de gangpaden van het toreneind en van de kruiskerk. Bij de preekstoel stond een ezel met een schoolbord. Zo zaten de kinderen wel wat verspreid, soms met 3 in een bank, maar het ging best. Gestookt werd er niet maar niemand had last van de kou. We hadden een prachtig beschutte speelplaats op het kerkplein. Zelf werd ik verwend met koffie en thee door vrouw Zwijnenburg. Van collega Baars zag ik niet veel. Die werd verwend door de militaire kok, die daar in de buurt de keuken had ingericht. De meisjes van de hoogste klassen kwamen naar de kerk om te handwerken. We mochten een flinke kast gebruiken om al het materiaal op te bergen. Meermalen moesten we ’s middags om 3 uur vertrekken vanwege een kerkdienst voor de militairen. Omdat de banken dan op elkaar gezet werden, moest alles uit de kastjes gehaald worden en opgeborgen in de kast. Ook de inktpotten moesten uit de banken. Dat grapje hadden we natuurlijk ook iedere vrijdagmiddag.

Bij het uitbreken van de oorlog op vrijdag 10 mei hebben we die dag geen school gehouden. Daarop volgde de Pinkstervacantie met alle narigheid van de oorlog. Na de vacantie bleven we in de kerk, want de scholen zaten tjokvol met militairen. De Duitsers hadden het luiden van de torenklok verboden. Zo kon het gebeuren dat we een spreker op het kerkhof hoorden. Dan wist één van de kinderen wel te vertellen wie er begraven werd. Dat maakten de kleintjes ook nog mee. Eén van de kinderen vond het zo’n rare vloer in de kerk, met letters en bobbels. Sommige banken stonden op grafzerken met wapens en opschriften. 10 juni konden we weer in school. De militairen waren vertrokken en de school was goed schoongemaakt, wat hard nodig was vanwege het ongedierte. De laatste weken van onze schooltijd hebben we niet in school doorgebracht, maar in de timmermanswerkplaats van J. Hollander, achter het woonhuis Voorstraat 21.

Bij het begin van de Broodkist was voorheen een klein haventje met een aanlegsteiger, ten behoeve van voetgangers en fietsers, die per roeiboot overgezet werden naar Den Biersum op Putten. Trok men aan een bel, dan kwam de veerman je halen. Toen dat haventje dichtgeslibd was, werden er trapjes gemaakt in de stenen glooiing van het Spui. Met een haak werd het roeibootje vastgehouden tot de passagiers ingestapt waren. Wel primitief, maar het ging altijd goed. Jarenlang bediende de familie de Graaf dat veer. Mijn zuster, destijds onderwijzeres in Nieuwenhoorn, was gewoon om de 2 weken naar huis te komen. Ik bracht haar dan weg tot Biert of Zuidland. Zodoende maakten wij veel gebruik van dat voetveer en raakten bevriend met de familie de Graaf. Gewoonlijk kwam de Graaf alleen met het roeibootje, maar met veel wind of sterke stroom in het Spui hielp zijn vrouw mee roeien. Mijn zuster was de oorlogsdagen thuis geweest. De dag na de capitulatie wilde ze per sé naar Nieuwenhoorn terug. Ze was benieuwd naar de oorlogservaringen van haar collega’s, kennissen en leerlingen. We behoefden niet aan de bel te trekken om de veerman te waarschuwen, want het bootje kwam al aan met 3 passagiers, een heer in burger en 2 Duitse officieren. De Duitsers stapten eerst uit en daarna de begeleider. Tot onze verbazing zei die laatste tot ons: “Dag dames.” Het bootje was nog maar net van wal, toen de Graaf aan mijn zuster vroeg: “Kennen jullie die vent? ” Wij kenden hem al jaren. Niet als een keurig geklede heer, maar als een sjofel mannetje. Hij kwam al jaren de scholen af met schilderijtjes en deed zich voor als oorlogsinvalide. Dat stond ook achter op die schilderijtjes. Ieder kind kreeg ’s morgens een schilderijtje. Dat moesten ze om 12 uur mee naar huis nemen om moeder te laten zien. Mochten ze het houden, dan moesten ze een kwartje meebrengen. De moeders zagen dan ook dat stempel met oorlogsinvalide. Ze hadden medelijden met die stakker, zodat de meeste kinderen wel een schilderijtje mochten kopen. In de middag kwam de oorlogsinvalide afrekenen. Wat voerde die man uit, in de tijd dat hij hier vertoefde? Wij hadden er nooit over nagedacht, tot ons een licht op ging, daar bij het veer naar de Biersum. Dat hij alles goed opnam bewijst het volgende: Mijn jongste zuster heeft de onderwijzersacte gehaald in de tijd dat ze niet mocht solliciteren vanwege de overvloed van onderwijzers. Ze heeft hier 5 jaar als kwekeling met acte het onderwijs gediend van 1932 tot 1937. In 1937 werd ze in Dirksland benoemd als onderwijzeres. Nog maar kort was ze daar, toen de oorlogsinvalide op bezoek kwam. Het eerste wat hij zei was: “Bent u veranderd van standplaats, hebt u Piershil verlaten?”. Alle leerlingen van 1936 tot en met 1939 hebben schilderijtjes mee naar huis gekregen. Aan een groep jongens uit de hoogste klas vertelde hij dat hij in de oorlog (natuurlijk de eerste wereldoorlog) een gasvergiftiging opgelopen had in de loopgraven. Daarvoor werd hij jaarlijks behandeld in een inrichting in Parijs. (Zeker ook een plaats om te spioneren, evenals op de Zuid-Hollandse eilanden).

Mei 1941 kwamen de nieuwe leerlingen op school. De tweeling uit de “Roode Leeuw” (dat was een café op de driesprong Sluisjesdijk – Zwartsluisje en Kostverlorendijk) Adrie en Jaapje in ’t Veld en hun vriendinnetje Greet van de Lagemaat konden een mooi versje zingen. Met heldere stemmetjes zongen ze:
Zie ginds komt de Stoomboot uit Engeland weer aan.
Hij brengt ons Koningin Wilhelmina ik zie haar al staan.
Hoe waaien de wimpels
nu rood, wit en blauw.
Laat Hitler maar stikken,
wij blijven haar trouw.
Uit dit versje bleek wel hoe de ouders over onze bezetters dachten. Men moet altijd oppassen met kinderen; ze horen vaak verhalen, die niet voor die kleine oortjes bestemd zijn. Vooral tijdens de oorlog kon dat gevaar opleveren voor de ouders.

In school was tot 1944 weinig te bemerken van de oorlog. Alles ging het oude gangetje. Wel kwamen de kinderen met allerlei verhalen over de oorlog, het één al mooier dan het ander, meestal sterk overdreven. Sommige schoolbehoeften waren moeilijk te bekomen, vooral met het handwerkmateriaal was het treurig gesteld. Alleen met textielpunten lukte het nog wel eens. Het Hoofd der School, de heer Klippel, moest het aantal meisjesleerlingen opgeven. Naar aanleiding daarvan werd een aantal punten toegekend. Gelukkig hadden we voldoende voorraad om met hetgeen nog te verkrijgen was de oorlog door te komen. Tijdens de 15 maanden evacuatie hadden we natuurlijk niets nodig. Nog lang na het einde van de oorlog bleef het textiel schaars en tot in 1948 moest men nog gebruik maken van textielpunten. Men moest stad en land aflopen om iets op handwerkgebied te bemachtigen.

Evacuatie – februari 1944 tot mei 1945

In opdracht van de Duitsers moesten alle inwoners van Piershil het dorp verlaten en de polder Oud-Piershil kwam onder water te staan. Veel mensen gingen naar Nieuw-Beijerland, wat ook ons doel was. Nu moest de school weer ontruimd worden. Het was een verwarde toestand, want men wist niet, wat er op de school te Nieuw-Beijerland nog nodig was. In die school was al zoveel ondergebracht van diverse scholen, zodat de benodigdheden van de laagste klassen van onze school niet eens nodig waren. Voorlopig hield ik alles maar hier. Het handwerkmateriaal liet ik onderduiken, wat na de oorlog een uitkomst bleek, omdat er toen zo goed als niets te krijgen was. Na het vertrek van de leerlingen kwam ik zonder werk en zonder baan. Officieel kreeg ik aldus mijn ontslag:” Van 1 mei 1944 tot wederopzeggens toe werd me verlof verleend met stilstand van jaarwedde als “onderwijzeres van bijstand” aan de O.L. School te Piershil.” Van burgemeester Hammer kreeg ik de raad om te proberen achter de lijn Amsterdam-‘s-Hertogenbosch te komen. Dat lukte vrij snel, met het gevolg, dat ik terecht kon bij een collega in Noordwolde in Friesland. De bedoeling was om de mannelijke leerkrachten aan het werk te houden, zodat ze niet in handen van de bezetter vielen. Het kwam echter heel anders uit. Op Nieuw-Beijerland waren zoveel leerlingen uit naburige dorpen gekomen, dat ze leerkrachten te kort kwamen. Mij werd verzocht daar te helpen. Toen werd ik tegen 1 mei 1944 benoemd als tijdelijk onderwijzeres te Nieuw-Beijerland. Het was daar erg gezellig met zoveel collega’s. Jammer genoeg duurde die toestand niet lang. De school werd gevorderd door de Duitsers en de leerlingen kwamen op straat. De kinderen kregen 1 keer per week 45 minuten les in het Ver. gebouw achter de Herv. Kerk (Nieuw-Beijerland). Ze moesten huiswerk maken, waar natuurlijk niet veel van terechtkwam. Dat werkeloos omhangen beviel me niet. Daarom ging ik maar eens op Piershil kijken. Daar waren enkele families teruggegaan, omdat de mannen daar werkzaamheden moesten verrichten. Bovendien waren enkele families daar klandestien komen wonen. Die mensen woonden in huizen op de dijk, die natuurlijk droog gebleven waren. De vensters op de dijk bleven gesloten, zodat een vreemdeling niet kon zien, dat die huizen bewoond waren. Ik besloot daar huisonderwijs te gaan geven. Van dit onderwijs kwam ook niet veel terecht. Er was zoveel te verhandelen over de oorlog en alle belevenissen tijdens de evacuatie, zodat de dagen omvlogen. Daarom werd er uitgezien naar een huis dat niet in het water stond en waarin we konden werken en wel zodanig, dat we vanaf de straat niet gezien konden worden.

Gelukkig kwam er uitkomst doordat we het huis van mejuffrouw Kleynenberg mochten gebruiken (het tegenwoordige gemeentehuis). Dat huis stond in de Voorstraat, juist op de grens van het water en het droge. Het voorste deel van dat huis was nog droog, maar de keuken, de loods en de schuur stonden diep in het water. In de achterkamer werd een grote uittrektafel met enkele stoelen gezet, zodat aan verschillende kinderen tegelijk les gegeven kon worden. We zaten daar erg rustig en vanaf de straat was niet te bemerken, dat we daar verblijf hielden. Wat we nodig hadden werd uit de school gehaald, zelfs een schoolbord. We begonnen met 1 meisje (Teuntje Veerman) en 7 jongens. Ze konden daar ruim zitten. De kamer was groot en erg licht met ramen op het westen, zodat we ’s middags heerlijk in de zon zaten. Om het benodigde materiaal uit school te halen moest ik eerst een paar laarzen gaan lenen. Toen de school al een paar maanden in het water gestaan had, waren de kasten erg vochtig geworden. Vooral boeken en schriften kunnen slecht vocht verdragen. Het huis op de dijk, tegenover de school, nu Molendijk 31, was bewoond en daar mocht ik de inhoud van de kasten op zolder brengen, waar alles natuurlijk droog bleef. Alleen jammer, dat de muizen aan enkele boekjes en schriften konden knagen, gelukkig zodanig, dat ze nog lang te gebruiken waren. Steeds meer leerlingen kwamen opdagen, zodat er om de tafel niet genoeg plaats was en er waren ook niet voldoende stoelen. Ook dat probleem werd opgelost. A. Groenenberg (van het postkantoor) haalde met enkele vaders ’s avonds zoveel banken uit school als er in die flinke kamer geplaatst konden worden. Er stonden 3 rijen banken met kleine gangpaden. Dat was een uitkomst. Met 3 leerlingen in één bank ging het ook wel. Moeilijk werd het, toen er gestookt moest worden; ook dat kwam weer in orde. Groenenberg zorgde voor de verwarming. In de kamer stond een kacheltje, waarin van alles gestookt kon worden. Waar het stooksel vandaan kwam was me onbekend; het was iedere dag lekker warm en dat wilde wat zeggen in de laatste maanden van de oorlog. Het aanmaken van de kachel met vochtig hout was wel eens moeilijk. Vooral bij een zuidenwind rookte het verschrikkelijk. Het duurde echter niet lang voor de rook was verdwenen.

Twee kinderen uit de Oosthoek, Teun en Cockie Vos stonden iedere morgen bij het “Blinde Huisje” (hoek Oudendijk-Oosthoek) te wachten om met mij mee te lopen naar school. Dat was erg gezellig, want veel drukte was er niet op de weg. Het kon gebeuren dat we niemand tegenkwamen, hoogstens iemand op de fiets. Auto’s waren er niet en wagens konden er niet heen vanwege 2 tankvallen. Bij die tankvallen was het voor ons ook uitkijken, vooral met regenachtig weer. Om die tankvallen te passeren moesten we van de dijk af en onder bij de sloot, die nu een voortzetting van de geïnundeerde polder was, voorzichtig achter elkaar over het smalle glibberige paadje lopen en vervolgens weer tegen de dijk op. Op het eind van de oorlog werd over die tankvallen een brug gelegd, wat voor ons wel zo gemakkelijk was.

In de kerstvacantie 1944-’45 kwam een groep Duitsers in het huis waar ons schooltje was. Alles wat brandbaar was hebben ze opgestookt o.a. de borden, linialen en andere leermiddelen, gelukkig geen banken. Na de vacantie waren ze weer vertrokken. Zoveel als mogelijk was zijn de leermiddelen door de bewoners van het dorp vernieuwd en de school kon weer doorgaan. Vervolgens werd alles wat brandbaar was iedere middag bij Groenenberg op de Kaai gebracht en de volgende morgen weer opgehaald. Bezoek kregen we ook nog, al werkten we (zo dachten we tenminste) in het verborgene in een kamer in een straat waar niemand kwam. Het was stil, de kinderen zaten rustig te werken en een meisje las uit een boekje met een zacht stemmetje. Plotseling hoorden we iemand de voorkamer inkomen, vervolgens kwam hij door het kleine gangetje en daar werd de deur geopend door iemand, die ik niet kende. “Ik ben de burgemeester”, zo stelde hij zich voor. Het was de N .S.B. burgemeester Simonius. Ik schrok niet weinig, want nu vreesde ik in moeilijkheden te komen en dat dit het einde van ons schooltje zou zijn, want ik had geen toestemming om het spergebied te betreden en de meeste kinderen evenmin. Wonder boven wonder liep het heel anders af. “Zo”, zei de “burgervader”, “U houdt de kinderen van de straat, dat is een goed werk.” Ik stond perplex. Zou hij nu heus niet geweten hebben hoe de vork in de steel zat? Enfin, we konden weer verder. Enkele weken later kwam op een middag de zoon van de burgemeester met een collega, ambtenaar van het secretarie, zonder kloppen ons schooltje binnen. “U moet er uit, wij moeten in deze verwarmde kamer”, zei hij. Het was nog geen 3 uur en ik was niet van plan voor half 4 te vertrekken. Hij boos, maar zijn vriend Jan zei: “Laat de juffrouw maar zolang hier, dan gaan wij wel in voorkamer.” Wij moesten door die kamer om het huis te verlaten maar een groet kon er niet af. Uit wraak stond hij (de zoon van de burgemeester) enkele dagen later op een nacht met een groep Duitsers, die pas aangekomen waren, voor de deur van het huis waar wij geëvacueerd waren. Er werd op de deur geslagen en een bekende stem brulde: “Doe open.” Maar ik deed niet de deur open, maar het kleine raampje en begon een gesprek met hem om tijd te winnen. Die Duitsers waren erg moe en ze bemerkten wel, dat de verhouding niet zo best was. Toen in de verlichte schuur van Van der Heiden de deur openging vertrok de een na de ander en bleef onze “vriend” in z’n eentje woedend achter. Na de dood van burgemeester Simonius op 17 februari 1945 vluchtten verschillende mannen in het natte gebied. Zo kon het gebeuren dat een vluchteling, bijna onherkenbaar door een baard, op de deur van ons schooltje tikte om een boodschap mee te geven voor zijn vrouw. Dat ging nogal geheimzinnig, want de kinderen mochten er niets van bemerken.

Onderweg beleefde je ook wel eens leuke dingen. Zo kwam ik met Teun en Cockie Vos aangewandeld, toen er van de boerderij van R. Zonneveld (Oudendijk 2) een kros (karos) tegen de stoep kwam. De bestuurder vroeg of we mee wilden rijden, wat we natuurlijk heel graag deden. Ik voor op het kistje bij de voerman en de kinderen daar achter. Dat was weer eens wat anders. Na een poosje passeerden we een troep Duitsers. De voerman moest stoppen en de hele bende sprong op de wagen. Bij het “Blinde Huisje” moesten de kinderen er af, want ze woonden in de Oosthoek. Zelf ging ik ook van de wagen, want ik voelde er niets voor om in gezelschap van een troep Duitsers Nieuw-Beijerland binnen te rijden. Toen de Duitsers zagen, dat ik dezelfde richting uitging als de wagen, vroegen ze aan de bestuurder waarom ik niet met ze meereed. “De juffrouw is bang, dat er geschoten zal worden”, antwoordde deze. Dat konden ze wel begrijpen, want er waren op dat moment 3 vliegtuigen in de lucht, terwijl er bovendien een V2 met groot geratel naar het westen vloog. Niet altijd was het redelijk weer. We hebben eens een sneeuwstorm meegemaakt. Je kon geen 10 meter voor je uitzien en bovendien was het erg koud. Toen ik buiten het dorp kwam ben ik teruggegaan om mijn sneeuwbril te halen. Dat was een goede verbetering. Er was geen sterveling te zien, ook de kinderen Vos waren niet bij het “Blinde Huisje”. Ik meende dat ze met dit noodweer niet zouden komen; dus vervolgde ik mijn weg in mijn eentje. Op Piershil hadden ze met dit weer niet verwacht. Vlug werd de kachel aangemaakt en kwamen verschillende kinderen opdagen, ook Teun en Cockie. Nadat Teun van de dijk gewaaid was werden ze in bescherming genomen door Dirk Noordermeer, die bij Bosman werkte en daar juist passeerde. Voor de school uitging moest één van de grootste jongens gaan kijken of de weg veilig was, of er geen Duitsers te zien waren. De kinderen gingen ook niet allen tegelijk naar huis, maar in kleine groepjes. Ze bleven ook niet spelen, maar moesten van de ouders direct naar huis komen. Dat gebeurde dan ook, want de kinderen begrepen heel goed, dat dit een bijzondere toestand was. Zelf ben ik er in al die maanden ook goed doorgekomen. Maar één keer liep het mis en ik was nog wel gewaarschuwd om niet de gewone weg te nemen, omdat een groep Duitsers aan het oefenen was aan de dijk. Ik moest maar langs de Biersum en de Spuidijk gaan. Dat vond ik niet zo prettig, zo’n eenzame weg, ver van de bewoonde wereld. Ik ging dus de gewone route. Halverwege de Oudendijk passeerde ik die Duitsers. Ze lieten me rustig voorbijgaan. Dat liep dus goed af. Maar een goede 100 meter voor het “Blinde Huisje” kwam ik Koblenski (het waterkijkertje) , die belast was met het opzicht over het natte gebied, tegen met 2 gevangenen, n.l. de oude heer Stok en Piet Verhulp. Ik moest mijn papieren tonen, maar ik had alleen mijn persoonsbewijs. Dat nam hij af en ik moest ook mee terug naar Piershil. Toevallig moest ik om 5 uur bij de Ortscommandant op Nieuw-Beijerland zijn om een Ausweis voor een kraamverzorgster te halen en het was al half 5. Mijn plan was de commandant van de soldaten, die terugkwamen van de oefening, aan te spreken om te vertellen, dat ik om 5 uur bij de Ortscommandant moest zijn en die zou me beslist wel helpen, want het was algemeen bekend, dat Koblenski op geen goede voet stond met het leger. Zover behoefde het niet te komen. Voor we de militairen bereikten, haalde hij mijn persoonsbewijs uit zijn zak en snauwde: “Hier! ” en ik kon weer omkeren om naar huis te gaan. De 2 andere gevangenen werden meegenomen, maar al gauw bevrijd door de heer Groeneveld, rijksveldwachter (een goede) te Goudswaard. Gelukkig waren Teun en Cockie Vos al vooruit gegaan, omdat ik nog een bezoek moest afleggen op Piershil. Dat was dus goed afgelopen. Enkele weken later was er ’s morgens een strenge controle. De controleurs stonden verdekt opgesteld tussen de eerste 2 huizen aan de Oudendijk. Verschillende mensen werden opgepakt en moesten onder toezicht lopen naar Westmaas, waar ze gevangen gehouden werden in de school. Laat het nu net die ochtend zijn, dat ik 3 kwartier les moest geven aan een klas te Nieuw-Beijerland. Op die dag hield ik alleen ’s middags school te Piershil, zodat ik de dans ontsprong.

Langzamerhand kwamen er zoveel kinderen, dat de kamer te klein werd. Alles, wat zich in ons schooltje bevond, is op een avond door Groenenberg en enkele helpers naar het voorste lokaal gebracht. Het was wel een sport om met droge schoenen in school te komen. Ook daarvoor wisten de bewoners een oplossing. Er werden grote stenen langs het hek van het schoolplein gelegd en vandaar planken naar de vestibule. De school was nagenoeg droog. Alleen als je hard door het lokaal liep, spoot het water tussen de vloerplanken omhoog. Het was er wel wat vochtig en fris, want stoken ging in die natte school niet zo best, maar niemand had er last van. Tegen het einde van de oorlog werd de controle steeds strenger. De bewoners hier vonden het noodzakelijk, dat ik een Ausweis aanvroeg, om hier les te kunnen geven. Door bemiddeling van A. Veerman lukte dat voor enkele dagen, wat natuurlijk niet voldoende was. Daarom werd dat formulier netjes nagemaakt en kon ik iedere dag naar school. Zo waren we weer gered tot het einde van de oorlog. In maart heb ik mijn fiets, die ondergedoken was, weer tevoorschijn gehaald. Op Piershil was ik in de gelegenheid levensmiddelen te bekomen en die kon ik per fiets gemakkelijker vervoeren. Het was wel riskant vanwege het vorderen van fietsen door de bezetter. De inlichtingendienst fungeerde uitstekend en ik werd dan gewaarschuwd. Mijn fiets bleef dan bij Roos (het tweede huis vanaf Nieuw-Beijerland aan de Oudendijk) ergens verborgen en ik ging wandelend naar Piershil. Op een of andere manier stond de fiets ’s middags weer bij school. Niettegenstaande alle ellende hadden we het toch erg gezellig op Piershil. We hebben daaraan veel prettige herinneringen. De saamhorigheid was in de oorlogsjaren voorbeeldig. Tenslotte kwam er een einde aan de oorlog en konden we allemaal weer naar huis. Het duurde nog wel even, voor alle kinderen terug waren in school. Enkele families hadden elders werk gevonden en bleven daar wonen, o.a. de familie P. Schelling. De huizen, die 14 maanden in het water gestaan hadden, konden niet direct bewoond worden. Nadat het water zover gezakt was, dat men z’n huis droogvoets kon bereiken, begon de grote schoonmaak. Kelders en regenputten werden leeggepompt, meestal met de brandspuit en modder en schimmel werden eerst verwijderd. In school was het ook erg vuil. Het vocht was wel 1 à 2 meter in de muren getrokken, ook in de kasten. Na de schoonmaak kwam alles weer netjes op zijn plaats. De kasten bleven dag en nacht open en als het enigszins kon ook de ramen, in de hoop, dat alles weer vlug zou drogen. Toch duurde het nog maanden, voor het zover was.