web analytics

Door de site te te blijven gebruiken, gaat u akkoord met het gebruik van cookies. meer informatie

De cookie-instellingen op deze website zijn ingesteld op 'toestaan cookies "om u de beste surfervaring mogelijk. Als u doorgaat met deze website te gebruiken zonder het wijzigen van uw cookie-instellingen of u klikt op "Accepteren" hieronder dan bent u akkoord met deze instellingen.

Sluiten

Herinneringen aan de jaren 1939-1945, opgetekend door Jacob (Jaap) Oprel (deel 2) – WO2 Hoeksche Waard
WO2 Hoeksche Waard

Herinneringen aan de jaren 1939-1945, opgetekend door Jacob (Jaap) Oprel (deel 2)

“Ik ben me bewust, dat ik met dit relaas lang niet volledig ben geweest”, aldus oud-gemeentesecretaris Jacob (Jaap) Oprel in 1980, in zijn ‘Herinneringen aan de jaren 1939 – 1945‘, gepubliceerd in het boekje Piershil 1940-1945. Liefst 32 jaar later, op 8 maart 2012, heb ik hem gevraagd nogmaals te praten over de oorlog. Hier zijn relaas.

Een samenvatting van dit artikel is gepubliceerd in het Algemeen Dagblad van vrijdag 13 februari 2015.

Ik ben op 1 april 1944 aangenomen als ambtenaar op het gemeentehuis, voor 25 gulden per maand. Het jaar daarvoor was ik ook al werkzaam geweest op het gemeentehuis, als volontair. Ik kreeg in die periode geen salaris, ja ik heb een keer een tientje gehad. Van 1939 tot 1943 zat ik in Oud-Beijerland op school. Op de momenten dat we niets te doen hadden gingen we richten haven, je keek dan op ‘de beer’, zo heette dat daar. In die tijd reed ik vanaf Piershil bovenop op de Spuidijk langs het Spui, tegenwoordig fiets je er naast. Nog voor de mobilisatie zagen we daar vaak Nederlandse vliegtuigen oefenen. Ze hadden dan een doel opgesteld in het land en dat probeerde de piloten voorbij vliegend te raken.

In september 1939 begon de mobilisatie. We kregen toen ook een keer vrij omdat Bernhard de staf kwam bezoeken, ondergebracht in de HBS. In Piershil kwamen er pas in april 1940 soldaten. Toen we uit de kerk kwamen zagen we de officieren zitten in het gemeentehuis, de soldaten waren buiten aan het wachten. Na een tijdje kwamen er twee soldaten bij ons aan de deur, ze moesten zich melden bij Oprel aan de Sluisjedijk. Toen ze bij ons aan de koffie zaten keken ze omhoog en vroegen ze “is die zolder wel eens gedreven”? Het huis waar we woonden, aan het begin van de Sluisjesdijk, was gebouwd in 1926 en die houten zolder was nog nooit ‘gedreven’, zo liet mijn vader weten. Samen met m’n zus werd ik ondergebracht bij opoe, enkele huizen verder, en na het avondappel gingen de soldaten tot half 10, tien uur aan de slag. Nico van der Horst en Jan Pleket (uit Grafhorst), dat warende soldaten die bij ons sliepen. Nico was afkomstig uit een gegoede familie, zijn vader was importeur van bananen en zuidvruchten. Wanneer hij ‘s-avonds naar bed ging kwam hij ons eerst allemaal een hand geven. De soldaten van wat minder goede huize werden ondergebracht in schuren, ook in de Voorstraat (waar nu de herenhuizen staan) sliepen er diversen, die waren ‘s-avonds ook steevast aan de fles.

Duitse soldaten hebben we bijna niet gezien in Piershil tijdens de oorlog. Alleen bij het zoeklicht in de polder Klein-Piershil waren er een aantal ondergebracht in barakken. Af en toe kwam er enkelen naar het dorp om bier te drinken en bij m’n vader is er wel eens één geweest om een batterij te kopen. Rond december 1943 braken ze de boel op, de apparatuur werd opgeladen en ze kwamen ons op het gemeentehuis opdragen de barakken te verzegelen. We hadden geen idee waarom ze weggingen, maar daar kwamen we enkele maanden later wel achter. Vanaf 1944 kwamen er wel Duitse soldaten in Piershil, ze trokken zich terug van het front.

Toen we in februari 1944 onder water gezet werden en moesten evacueren vanuit Piershil stond de Nederlandse soldaat van 4 jaar eerder, Nico van der Horst, plotseling voor de deur en kwam hij namens z’n ouders aanbieden om bij hen te komen wonen. We hebben dat niet gedaan. Ik had mijn werk op het gemeentehuis hier. Mijn vader kon ook niet weg,  hij had net een telegram gekregen van de voedselcommissaris waarin stond dat hij moest zorgen voor het wegen van alle aardappelen en bieten in het ‘natte gebied’. Hij werd verantwoordelijk gesteld voor de afvoer daarvan via schepen vanuit de haven van Piershil. Om vijf uur in de morgen moest hij al bij de weegbrug zijn , dus telkens afreizen naar het noorden van Rotterdam was onmogelijk. Later, toen zijn werkzaamheden er bijna opzaten, liep hij nog een zware longontsteking op. We zijn uiteindelijk geëvacueerd naar Maasdam.

Ik ging toen iedere dag op de fiets van Maasdam naar het gemeentehuis in Nieuw-Beijerland. Tot ik op een dag langs een ‘fietsenvordering’ kwam. Gelukkig was er iemand ruzie aan het zoeken en kon ik er in een boogje omheen fietsen. Ik besefte wel dat dit geluk éénmalig zou zijn, er moest dus een andere oplossing komen. Ik besloot om met de tram te gaan reizen. Ik moest overstappen op de Blaakschedijk, de tram richting Strijen kwam ook langs Maasdam. Na drie keer dacht ik dat het beter zou zijn een maandkaart te kopen. Ik had die kaart net toen de tram op de Blaakschedijk stopte met de mededeling dat we verder moesten gaan lopen. We liepen met zes man naar Maasdam, ik moest om precies te zijn in Cillaarshoek zijn. Kortom, dat reizen met de tram bleek dus ook geen oplossing te zijn. Mijn moeder kwam met het idee om eens navraag te doen bij Toon Wander, een man van even zestig jaar, woonachtig in de Achterstaat te Nieuw-Beijerland. Hij vertelde me dat ik samen met mijn vader welkom was, maar we moesten eten wat de pot schafte natuurlijk, zo zei hij. In die tijd lipe mijn vader longontsteking op, mijn moeder kwam toen ook over uit Cillaarshoek om hem te verzorgen en ik ging om een zeer nauwe zolder slapen bij Wander. Maar in ieder geval had ik onderdak, hoewel ik zo naar buiten kon kijken tussen de spanten door. Op een matrasje, tussen de kolen en aardappelen, sliep ik daar.

Mijn moeder ging daarna op zoek naar een adres met wat meer ruimte en een familielid aan de Spuidijk gaf de tip het eens te proberen bij Jan van Bochove, woonachtig in één van de huizen aan de Achterweg (gebouwd in 1919; nu hete het daar Wilhelminastraat). Mevrouw van Bochove moest er een nachtje over slapen maar uiteindelijk konden we daar met vier personen terecht. De vrachtwagen reed vanuit Cillaarshoek met onze spullen naar Nieuw-Beijerland en bij het uitladen was de familie van Bochove meteen enthousiast over ons orgel. Zij zaten bij de gereformeerde kerk en wij bij de hervormde kerk. Na afloop van de kerkdiensten op zondag speelde ik op het orgel, prachtig vonden ze dat. We hebben daar een prima tijd gehad, zij waren met z’n vijven, wij met z’n vieren. Jan van Bochove was landarbeider bij De Bonte aan de Spuidijk. Zo kwam hij aan aardappelen en karnemelk. Vlees was lastiger, het kon dan ook voorkomen dat zij spek aan het eten waren en wij geen vlees hadden. Wanneer er bijvoorbeeld een varken werd geslacht werd meteen een weging uitgevoerd door iemand van de Economische Controle Dienst. Daarna mocht die familie het vlees wel houden maar werd meteen bepaald hoeveel dagen ze daarvan met z’n vijven konden eten, hun gewone vleesbonnen werden dan voor die periode ingehouden. Wij konden met onze bonnen naar slager Kranendonk (Verloop) in de Voorstraat, maar af en toe vond er ook vlakbij (bij de ingang van de oude begraafplaats in Nieuw-Beijerland) een noodslachting plaats. Het enige wat je daarvoor moest doen was lang in de rij staan. Mijn vader had daarvoor wel tijd, ik zat immers op het gemeentehuis en mij zus droeg bij aan het inkomen door jurken en kleding te repareren, ze zat de hele dag te naaien.

Na de invasie moesten de Duitsers zich terugtrekken. Als eerste kwamen de officieren aan, zij hadden immers auto’s om zich mee te verplaatsen. Op het gemeentehuis kwamen zij ‘inkwartiering’ eisen. Gemeentesecretaris Van Warendorp sprak geen woord Duits, mensen kwamen in die tijd niet zo vaak in het buitenland, ook onze Burgemeester Hammer was destijds nog nooit buiten onze landsgrenzen geweest. Ik had Duits geleerd op school en kreeg als opdracht om met de Duitsers naar geschikte inkwartieringsadressen op zoek te gaan. We belden dan aan bij de burgers en ik moest uitleggen wat we kwamen doen. De Duitsers waren trouwens zeer wantrouwend, ik moest overal als eerste naar binnen en telkens als eerste de trap op in een geschikt huis. Ze waren als de dood voor boobytraps! Eén van die Duitsers vertelde mij dat hij in Frankrijk na de invasie niet eens meer alleen over straat durfde te gaan, het verzet had de jacht geopend op loslopende officieren. Deze officieren gedroegen zich trouwens voorbeeldig, als echte heren. Maar toen ze eenmaal allemaal waren ondergebracht zeiden ze “Zo, wij zitten goed, maar nu komen de manschappen binnenkort aan!”. Dus ik moest weer met die Duitsers op pad, langs allerlei schuren en garages in de buurt. Het viel allemaal niet mee, want Nieuw-Beijerland had destijds 1600 inwoners en er waren zo’n 1000 evacuees ondergebracht. Toen dat allemaal weer was geregeld kwam de volgende eis: dekens. En dat was het moment dat Burgemeester Hammer er anders over begon te denken. Na jarenlange enorme armoede in Nederland, een enorme werkeloosheid, en textiel alleen verkrijgbaar op de bon vond hij het vorderen van dekens niet acceptabel. Met 6 personen (van der Ree, Smith, Smoker, Hammer, Oprel en Van Warendorp) op het gemeentehuis (Smoker was vanuit Goudswaard overgekomen, daar was toch niets te doen) besloten we in september 1944 onder te duiken.

Ik moest hierdoor weer op zoek naar een ander evacuatieadres en kwam terecht bij dansleraar Pegels, hij woonde aan de Greup. Op de eerste dag dat ik daar was vond er in de buurt al een razzia plaats, ik verstopte me in de slootkant. Ik heb daar maar een week gezeten. Op advies van mijn moeder ben ik terug gegaan naar het geïnundeerde en geëvacueerde Piershil, naar ons eigen huis. Dat was geen pretje, er stond boven maar één stoel, voor de rest was alles leeg. Slapen kon ik er niet, want ik had geen bed en het krioelde van de muizen. Daar zat ik dan, op de stoel. Na 2 dagen besloot ik het huis te verlaten en naar het huis van opoe te gaan, iets verderop. Dat was beter want daar kon ik alles beter afsluiten zodat de muizen buiten bleven. Na enkele dagen kwam mijn moeder brood brengen en ze ging ook meteen langs bij Groenenberg, van het postkantoor op de Kade. Wat daar besproken is weet ik niet maar de volgende dag werd er op de deur geklopt en kwam Groenenberg vragen of ik bij hen in wilde trekken. Ik kreeg weer voedsel en warmte, ik moest me wel achter goed verstopt houden, zo hoorde ik ook van de ondergrondse. Aangezien ik op het gemeentehuis had gewerkt en was ondergedoken, werd er wel naar mij uitgekeken. Ik heb toen tijdelijk gezeten in het huis van Janus ‘t Hart, gemeente werkman, het huis stond achter de Kade (het huis van Bakker) en de Molendijk. Ik ontmoette daar ook Evertse, een zoon van de politieagent uit Zuid-Beijerland. Niet veel later kwam Groenenberg vertellen dat ik weer naar hem kon komen, de kust was weer veilig. Ik hielp wat mee met de post van de met toestemming achtergebleven families. Andeweg uit Goudswaard kwam de post ophalen en bracht het naar Nieuw-Beijerland. Vandaar werd het door droog gebied verder vervoerd.

In het huis van Bakker (huidige Kade 5) zat destijds de politieagent Lindhout (die eigenlijk in Goudswaard was gestationeerd) met vrouw en kinderen, één van de goede kant. Op 5 december 1944 zorgde hij ervoor dat we toch nog een beetje Sinterklaas hebben gevierd daar. Ook op de Kade zat ondergedoken ene Dries Haspels uit Lekkerkerk, hij was ook gemeenteambtenaar. Eén keer in de week kwam er ook een onderduiker bij Rozendaal vandaan, hij liep door het water naar het huis van Janus ’t Hart en kreeg dan warm eten. Diverse personen werden in Piershil verstopt door de ondergrondse, juiste vanwege de inundatie was dit een prima plek om je te verstoppen. In die tijd ontmoetten we wat vaker Duitsers, zo af en toe kwam er een aan bij Groenenberg. Ik kan me nog herinneren dat er een Duitser zo verschrikkelijk ongerust was over zijn gezin, zijn vrouw en kinderen woonden in Oost-Pruisen, zo zei hij. Hij had natuurlijk al lang gehoord wat er allemaal gebeurde tijdens de opmars van de Russen. Ook een Duitser van de Luftwaffe kwam aan, hij vroeg me of ik uit het gebombardeerde Rotterdam kwam. Ik praatte maar wat mee, ik kon niet vertellen dat ik ondergedoken zat.

Later kwamen ook mijn ouders terug naar Piershil, ze gingen in het huis van opoe wonen, dat was makkelijker warm te stoken. Het verblijf in het huis van opoe in Piershil duurde tot januari 1945, toen moesten mijn ouders op last van de Duitsers weer weg en gingen vanaf 5 januari 1945 naar Huisman in Nieuw-Beijerland, ik ben daar toen ook heen gegaan. In hun eigen huis aan de Sluisjesdijk te Piershil nam een Duitse dokter intrek in de kelder Hij had het prachtig ingericht en de toonbank, normaal gebruikt door mijn vader voor fietsenspullen, gebruikte hij als operatietafel. Gewonde Duitse soldaten die langs Piershil kwamen werden er geopereerd en opnieuw verbonden. In de tuin bij opoe stond een enorme ketel, daarin werden de uniformen gereinigd. Pas na de bevrijding zagen we dat er in de kelder was geopereerd, door de vele bloedsporen en verbandresten.

Bij Huisman maakte we nog mee dat er mannen werden opgepakt in Nieuw-Beijerland, na de afranseling van de NSB-burgemeester Simonius (NB: zelfs in de krant werd hij aangeduid als Simonius, hij heette echter Simonis). Huisman werd bij de voordeur opgepakt maar ontsprong de dans omdat er op z’n ausweis stond dat hij bij Bosman moest werken, in het natte gebied. Ik had geluk dat de Duitsers niet naar boven kwamen, ik lag daar ziek op bed. Bij Huisman hebben we de bevrijding meegemaakt. Rond 8 mei 1945 ben ik naar verschillende onderduikadressen geweest, naar politieagent Lindhout, Groenenberg en van Bochove. De Canadese bevrijder is door Piershil gereden, over de tankvallen lagen houten bruggen. De Canadezen zijn hier maar kort geweest. Op het gemeentehuis waren vanaf de liquidatie van de NSB-burgemeester de zaken waar genomen door ene Aandeweg. Hij had niets misdaan en helemaal niet veel gedaan, de papieren lagen opgestapeld en puilden de kast uit. Burgemeester Hammer vertelde hem netjes dat er voor hem eigenlijk geen plek meer was, hij is toen vertrokken. Enkele bureaus waren gedeeltelijk verbrand of door peuken ingebrand.

Op het gemeentehuis in Nieuw-Beijerland was het daarna hard werken, er kwamen telkens soldaten op motoren aangereden, met papieren die moesten worden ingevuld, over van alles en nog wat. Zijdelings kwam er ook el eens iemand van de Politieke Opsporingsdienst om informatie vragen. Maar het hele gebeuren rondom NSB-ers ging buiten ons (op het gemeentehuis) om.

Jacob Oprel in 1983