WO2 Hoeksche Waard

Een website over WO2 in de Hoeksche Waard

De oorlogsherinneringen van Arie Schelling

Facebooktwittergoogle_plus

Mijn belevenissen in oorlogstijd, opgesteld door A.P. Bijl.

Mijn neef Leendert Schelling en ik  werden in de maand juni of juli 1943 opgeroepen om ons in Dordrecht te melden voor een keuring om te werk gesteld te worden in Duitsland. Onze ouders woonden naast elkaar onder één dak aan de Oudendijk onder Goudswaard. Op de fiets zijn we naar de Oostpolder onder Goudswaard gereden. Daar was een halte van de stoomtram, waar we zijn ingestapt. Er waren in Dordrecht wel een 40 à 50 jongens uit de Hoeksche Waard, o.a Ad Snijders uit Nieuw-Beijerland en een zoon van Maarten van ’t Hof van de Nieuwendijk. De keuring vond plaats door Duitse militaire artsen. Ze stelden iedereen de vraag: “Sind Sie gesund?” Er werd gefluisterd dat we moesten zeggen: “gezond.” Eén jongen deed dat niet . Toen trok die legerarts een nagel uit de vinger van die jongen. Hij gilde verschrikkelijk. We keerden terug naar Goudswaard; we waren allebei goedgekeurd.

kassel-henschel-sohn

Kassel, Henschel & Sohn

Een paar weken later op 27 juli 1943 moesten we ons weer  in Dordrecht melden. De koffers werden gepakt. Dat waren houten koffers, gemaakt door de timmerman. Onze oom Willem Schelling, die ook aan de Oudendijk woonde,  heeft ons met paard en wagen naar Piershil gebracht , waar een halte was van de stoomtram. Oom Willem was olieboer en had een kar en hit. Onderweg waren ons bekende landarbeiders bezig met het op ruiters zetten van erwten. Ze zwaaiden ons na zo lang we ze konden zien. Met de tram zijn we naar Rotterdam gereisd en vandaar met de trein naar Dordrecht. Daar stond een speciale trein klaar die ons regelrecht naar Duitsland bracht. Op het perron van het station van Dordrecht hoorden we pas dat we naar Kassel  zouden gaan. Op 28 juli kwamen we daar aan. We zouden te werk gesteld worden in de fabriek van Henschel & Sohn. Het was een metaalfabriek, waar in die tijd tanks voor het leger gemaakt werden. Er werkten wel 3 à 4000 mensen.  De buitenlandse arbeiders van allerlei nationaliteiten werden ondergebracht in een groot kamp met veel barakken buiten de stad. Er kunnen er daar wel 5 tot 6000 zijn ondergebracht. In een barak waren zo’n 10 mannen die op stapelbededen sliepen . ’s Morgens vroeg, rond 6 uur denk ik,  werd  er door een Duitser “aufstehen” geroepen. Om beurten ging één van ons thee halen. In lange rijen stonden we daar dan op te wachten. Van dielange rij wachtenden  is een foto van bewaard gebleven. In een grote kan kon zo’n 7 à 8 liter. Vaak was de thee, tenminste wat daar voor doorging,  al koud als we in de barak terug waren. Dan was het 3 kwartier à 1 uur lopen door de modder van het lager naar de fabriek die in de stad lag. Het lager lag  op een berg.De weg weg naar de stad liep naar beneden. Iedere morgen werd er eerst een appel gehouden. Alle jongens moesten dan “present “roepen. Het eten in de barak was heel slecht. ’s Avonds werd er  koolsoep uitgedeeld. Verder kreeg men één keer per week een brood, zo groot als een halfje brood hier en en een ¼ van een pakje boter. Veel te weinig voedsel om vitaal te kunnen blijven. Leen Schelling at zijn portie al snel op en moest het verdere van de week honger lijden. We waren allemaal hongerig. Toen we eens van het lager op weg waren naar de fabriek, liep een opzichter een appel te eten. Hij gooide het klokhuis door het gaas dat langs het pad naar de stad liep. Een heel stel dwangarbeiders  vloog er op af.Ik kreeg het te pakken en heb dat weggegooide klokhuis opgegeten. Eens per week was er sport. Dan moesten we hardlopen voor onze conditie. Onze baas liep zelf voorop. Leen Schelling was groot en sterk. Hij liep de baas eens vooruit. Die werd daar heel boos om.

Zo’n 30 à 40 jongens, waaronder wij werden in de fabriek opgeleid tot machinebankwerker. Een opleiding die 8 weken zou duren. Ons werk was ijzer vijlen. Ik  zat eens op de bank mijn werk te doen. Maar dat was niet naar de zin van de baas. Die stak me met een naald in mijn achterwerk. Het werk moest staande gebeuren. Omdat we nog leerlingen waren, behoefden we ’s zondags niet te werken. De andere arbeiders moesten dat wel. Op een zondag waren we met zijn vijven buiten het kamp aan het wandelen. Neef Leen was daar niet bij. De wacht die bij de slagboom stond, was een Hollandse NSB-er, die Leo heette. Eén van de jongens heeft wel eens tegen hem gezegd dat ze hem na de oorlog zouden ophangen. Hij zei: “Meen je dat?” Het is wel gebeurd; hij is werkelijk opgehangen. Een boer was daar bezig met het dorsen van koren. We vroegen of we mochten helpen. De boer vond dat goed. Hij had alleen zijn dochter als hulp bij het werk. We kregen die dag te eten bij die boer; kostelijk eten, boontjes met spek. Onze magen konden dat niet goed verdragen. De boerin liet ons foto’s zien die op de schouw stonden. Dat waren  foto’s van zeven jongens, allemaal zonen van hen die alle zeven in de oorlog waren gesneuveld.  Als dank voor onze hulp kregen we allemaal een zakje appels. Toen we naar huis gingen, het werd al donker,  en we door het bos liepen,  werden we achterhaald door de Grüne Polizei. We vertelden hen dat we de appels die we bij ons hadden van een boer gekregen hadden als beloning voor onze hulp. Dat werd niet geloofd. We moesten terug naar die boer. Toen die ons verhaal bevestigde, mochten we onze appels houden en naar het lager terugkeren. De leerlingen kregen tijdens hun opleiding opdrachten om wat te maken. Ik moest uit ruw ijzer een hamer vijlen. Het werd een mooi werkstuk. Het werd in een vitrine tentoongesteld. Toen ik uit Kassel vertrokken ben, heb ik die hamer daaruit weggehaald en meegenomen als aandenken aan mijn verblijf in de fabriek te Kassel.  Ik heb  hem nog en kan hem laten zien. Er werd door de Hollanders bij het werk in de fabriek gesaboteerd. Ze zagen kans om regelmatig een draaibank onklaar te maken. Ad Snijders uit Nieuw-Beijerland die ook bij ons in het lager was, kaapte  voedselbonnen bij de Duitsers weg. Hij is nooit gesnapt.

Bij de fabriek  in een barak waren toiletten. Dat waren elf kisten in een afgesloten ruimte  naast elkaar zonder afscheiding. Die toiltetten werden ook niet schoongemaakt. De jongens kwamen daar wel bij elkaar om van het werk weg te blijven. Ik  was daar ook juist, toen de Grüne Polizei een inval deed. Ik zat juist naast de deur en wist met mijn broek nog niet vastgemaakt te ontsnappen. De andere jongens werden er met knuppels uitgeslagen. In het kamp waren de toiletten gaten in de grond, waar je boven moest gaan zitten. Toen ik daar op een zekere keer was, kwam er een jongen binnen die zo verzwakt was dat hij viel. Een andere jongen kwam daarna binnen en viel over hem.  Die jongen had diarree en besmeurde daar die andere jongen mee tot zijn haren toe . Geen wonder dat er zo allerlei besmettelijke ziekten uitbraken. De ellende, waarvan ik toen getuige was, greep me  zo aan dat ik geen uitkomst meer zag. Veel jongens stierven. Ik zag dit als mijn voorland. Ik zou ook kunnen sterven . In die grote nood ben ik in het donker de barak uitgegaan tussen de schildwachten door die daar liepen. Ik ben daarbuiten op mijn knieën gevallen en heb God om uitkomst uit deze ellende gesmeekt. Ik heb gesmeekt of ik naar mijn moeder mocht terugkeren. Mijn smeekgebed is wonderlijk verhoord. De andere morgen zei de baas tegen me dat ik naar de barak moest gaan om mijn koffer te pakken. Ik zou overgeplaatst worden naar Battenberg. Ik ben naar mijn neef Leen gegaan om afscheid te nemen. Die lag op bed, in een gebouw waar patiënten lagen die difteritis hadden. Een Rus hield daar de wacht. Neef Leen kwam naar buiten met nog iemand om me een hand te geven. Daardoor ben ik besmet geraakt met difteritis. Neef Leen huilde omdat ik wegging. We trokken altijd met elkaar op. Leen was erg teruggetrokken en liet mij altijd voorop gaan.

In september 1943 ben ik uit Kassel weggegaan. Ik ben daar dus ongeveer 7 weken geweest. Met een boemeltreintje ben ik naar Battenberg gereisd. ’s Morgens om ongeveer 10 uur ben ik vertrokken en kwam pas aan het eind van de middag daar om ongeveer half vijf aan. Ik heb echter in Battenberg nooit gewerkt. Al heel gauw voelde ik aan mijn keel dat ik besmet was met difteritis. Hoewel ik me  toen al niet goed voelde ben ik ’s avonds na mijn aankomst in Battenberg toch nog met een paar jongens Battenberg ingegaan. We hebben daar een biertje gedronken. De sfeer was daar heel anders dan in Kassel. Battenberg is een kleine plaats in Hessen, op een berg gelegen. We zouden te werk worden gesteld op een kleine meubelfabriek. Het hout werd met paard en wagen uit het bos gehaald. We zouden met vijf man in een barak worden ondergebracht. Er zouden voedselbonnen worden verstrekt. We zouden zelfs de tuintjes ’s avonds mogen bijhouden van de gezinnen, waarvan de vader in het leger was.  Mijn ziekte verergerde dermate dat ik niet in staat was om werk te kunnen verrichten.

Ik kreeg hoge koortsen. De dokter zag dat ik er heel slecht aan toe was en dacht dat ik er niet door zou komen. De dokter vond het noodzakelijk dat ik naar een hospitaal in Marburg werd overgebracht. Met een soort ambulance ben ik naar Marburg vervoerd. Daar waren 6 ziekenhuizen. Ik werd in de stad van het ene ziekenhuis naar het andere gereden. De ziekenhuizen waren allemaal overvol. Toen we bij het laatste ziekenhuis aankwamen, transporteerde de dokter me naar binnen en deed de deur weer achter me dicht. Er kwam een verpleegster op me af die me vroeg: “Was machtst du hier?” Toen ze  mijn witte keel zag, werd ik toch opgenomen. Ik kwam terecht  in een afdeling van het ziekenhuis waar besmette patiënten achter glas lagen. Op 15 september 1943 ben ik in de kliniek gelegen aan de Mannkopfstrasse 1  opgenomen. Ik ben daar buitengewoon goed verpleegd. Er was een soort stoommachine om mijn  ademhaling te verlichten. Ik kon niet meer slikken; verpleegsters moesten me helpen om voedsel door mijn keel te krijgen. Na twee weken was het besmettingsgevaar geweken. Ik zou weer naar Battenberg moeten gaan. Toen bleek dat mijn ledematen verlamd raakten, een complicatie van mijn ziekte. Toen de arts dat zag zei hij dat ik nog “drei Monate“ in het ziekenhuis moest blijven. Ik ben toen overgebracht naar een ander gebouw van het ziekenhuis daar vlakbij.Ik moest met behulp van verpleegsters naar het toilet en liep met stokken. Soms viel ik en moest overeind  getild worden. Ik heb  ook een tijd niet kunnen praten. De artsen en verpleegsters waren heel erg goed voor me. Ze vonden de blonde Arie Schelling een echte Germaan. Ik kreeg goed voedsel en zelfs wijn. Eén van de verpleegsters was verliefd op me geworden en hielp me met alles. Eens was door een patiënt mijn zakhorloge gestolen. Toen ik de diefstal meldde, werd er direct werk van gemaakt. Heinz, de dief,  viel direct door de mand.

Jaapje Resoort-Noteboom, een godvrezende vrouw, die dicht bij  mijn ouders aan de Oudendijk te Goudswaard woonde, had altijd veel met me te doen gehad. Ik had een plaats in haar gebed. Op een zekere dag  kwam ze mijn moeder vertellen dat ze wist dat ik heel erg ziek was in Duitsland. Twee weken later kwam er een brief uit Marburg aan, waarin meegedeeld werd dat ik ernstig ziek was. Jaapje Resoort zei toen: “Het is toch van God geweest.”De verzending van brieven in die tijd verliep erg moeizaam. Soms werd een trein gebombardeerd en ging de post in vlammen op. Ik heb die brief niet zelf geschreven. Een Nederlands medisch student in het ziekenhuis, wiens naam ik niet meer weet,  had me gevraagd of ik wilde dat hij een brief naar huis voor me mocht  schrijven. Ik kon dat zelf niet. Die student heeft dat voor me gedaan. Ik heb die student daarna nooit meer gezien. Die brief is dus  2 weken onderweg geweest voor hij thuis aankwam.

Tijdens mijn verblijf in het ziekenhuis liep de stad Marburg ook gevaar gebombardeerd te worden. De kelder van het ziekenhuis was de schuilkelder voor het personeel en de patiënten van het ziekenhuis. Omdat ik nog altijd slecht ter been was heb ik  16 weken in die kelder gebivakkeerd. Als er luchtalarm was, zou het te lang duren voor ze me  beneden gebracht hadden. Ik heb al die tijd geen daglicht gezien en bij lamplicht geleefd. Toen ik uit het zieknhuis ontslagen werd, kon ik het daglicht niet verdragen.  De kelder werd gestut door boomstammen tegen eventuele instorting bij een bominslag. Er was ook een vluchtuitgang die ongeveer 30 meter van de muren was verwijderd.  Psalm 88, de psalm van Heman, het gebed van de verdrukte, betekende veel voor me. Daarin zag ik mijn toestand  verklaard. Die verzen uit die Psalm staan nog in mijn Bijbeltje aangestreept. Toen er eens luchtalarm was, vluchtte iedereen in het ziekenhuis naar de kelder. Het geronk van de vliegtuigen was in de kelder goed te horen. Het luchtafweer beschoot de Geallieerde vliegtuigen. Er werden er ook neergehaald. De Duitsers die in de kelder zaten waren doodsbang. Ik heb toen de Heere aangeroepen. Ik mocht geloven dat er geen bom zou vallen. Ik kreeg met kracht de woorden uit Psalm 3:3:“Ik lag en sliep gerust-Van ’s Heeren trouw bewust-Tot ik verfrist ontwaakte- Want God was aan mijn zij- Hij ondersteunde mij- In’t leed dat mij genaakte- Ik zal vol heldenmoed- Daar mij Zijn hand behoedt- Tienduizenden niet vrezen-Schoon ik van allen kant- Geweldig aangerand- En fel geprangd moog’wezen.” Ik vroeg aan de Duitsers om me heen of ze bang waren. Dat waren ze. Ik zei tegen hen dat er geen bom zou vallen. Op hun vraag hoe ik dat wist, wees ik naar boven en zei dat ik dat van God  wist. Er is ook geen bom op Marburg gevallen’s Morgens vroeg men mij nog wat ik bedoeld had. Ik legde toen mijn hand op mijn Bijbel en zei: “Jullie hebben een Führer, maar dit is mijn Führer.”

Toen ik  na een verblijf van 18 weken in het ziekenhuis wat opgeknapt was, wilde men mij weer terug naar de barak sturen. Ik was echter te zwak. De doktoren adviseerden daarom mij een verlof  te  geven van een half jaar en thuis in Nederland weer aan te sterken. Deze aanbeveling is gedateerd op 6 januari 1944. Deze verklaring heb ik  nog in mijn bezit . De zuster die me zo goed had verzorgd heeft me in Marburg op de trein gezet. Ze huilde bij mijn vertrek. Ik moest  weer terug naar Battenberg. De trein kwam echter  niet verder dan Frankenberg. Het was toen winter en koud. Hoe moest het verder? Ook in die nood heb ik God aangeroepen. Er waren toen vier Duitse soldaten op het perron die tegen me zeiden dat ik maar met hen mee moest gaan. We gingen naar een kasteeltje. Daar heb ik  die nacht geslapen. Daarna ben ik teruggekeerd naar de barak in Battenberg. Ik was nog zwak en het was koud. De baas, Johansen, die afkomstig was uit Amsterdam, waar zijn vader woonde,  zei tegen me dat ik met hem mee mocht gaan. Ik mocht bij hem op de kamer eten, maar niet gelijk met zijn gezin. Ik mocht bij hem in de kamer komen, waar het warm was. Er stond een canapé, waar ik op kon liggen. Ik ben er enkele dagen geweest. Weer moest ik erkennen dat het de hand des Heeren was en dat de Heere goed voor me was. Een Nederlander Gerrit van der Meijs, afkomstig uit Maasland, waar zijn vader tomatenkweker was, mocht me thuis brengen. De papieren voor het verlof moesten opgehaald worden. We zijn toen naar Kassel gereisd om die op te halen, maar ze waren daar niet. Die moesten we in Frankenberg gaan halen. Battenberg lag in dat district.

Een paar dagen ben ik  toen nog in Kassel geweest. Toen we aankwamen op het station, zijn we in een ondergrondse kelder van een gebouw bij het station terechtgekomen. Die kelder lag onder de straten. Het was avond en ik  zat op mijn koffer. Ik zag weer geen uitkomst.  Er was geen bed en er was geen eten of drinken. Ook in deze nood heb ik opnieuw  God aangeroepen om hulp. Vijf minuten later, het was ’s avonds 9 uur, kwam mijn baas Johansen uit Battenberg naar beneden in die kelder . Ik weet niet waarom hij  naar beneden is gekomen en evenmin wat  hij in Kassel moest doen. Hij zag mij daar zitten en zei dat ik met hem mee moest komen. Hij bracht me op een plaats waar Duitse soldaten waren die naar het front gingen of daar vandaan kwamen.   Ik kreeg daar dikke rijstepap te eten. Op de tafel stond ook suiker. Tot mijn verrassing zag ik dat die suiker van de suikerfabriek van Puttershoek kwam. Er waren ook goede bedden. Daar sliepen de Duitsers in. Ik mocht ook in zo’n bed slapen. Ik ben daar een week geweest. Ik weet niet  waar mijn begeleider was gebleven. Wellicht ergens anders in die ondergrondse kelder. Hij zal ook niets tekort gekomen zijn.

In die paar dagen van mijn verblijf in Kassel heb ik mijn  neef Leen Schelling voor het laatst ontmoet. Ik herkende hem bijna niet. Zijn haar was niet geknipt. Hij had heel lang rood haar en een rode baard. Ook was hij heel mager. Hij droeg over zijn blote lijf een lang werkjasje dat landarbeiders droegen. Daar had hij een touwtje om geregen. Daar had hij ook zijn etensblik  aan vastgeknoopt. Je voedsel  kon je niet in de kast laten liggen, want dan werd het door een ander gepakt en opgegeten.  Dat jasje was alle  kleding die hij nog bezat. De rest was hij kwijtgeraakt.  Ik heb hem toen van de  kleren gegeven, die ik in mijn koffer bij me had. Ook een paar nieuwe klompen die ik daar vroeger los had weten te krijgen. Neef Leen  was daar erg blij mee. Hij had van die lichte klompen, een soort tripjes. Hij trok die pas in de fabriek aan om slijtage te voorkomen.  Sokken had hij niet meer.Hij liep dan met die tripjes onder zijn arm op zijn blote voeten door de modder te ploeteren. Het was nu winter en er lag ijs op dat pad. Daar liep hij dus ook met zijn blote voeten overheen . Toen ik bij hem kwam,  lag hij  niet op bed, maar zat op. Drie keer had hij difteritis gehad. Hij zei tegen me: “Wat ik heb meegemaakt is verschrikkelijk.”  Ikzelf  was nog maar een paar weken uit  Kassel weg toen de stad vreselijk is gebombardeerd. Kassel was wel enkele keren het doelwit geweest van bombardementen. De fabriek van Henschel & Sohn was een strategisch doel. Daar werden oorlogstanks gemaakt, o.a. de “tigertank.” Als er luchtalarm was, moesten de arbeiders naar de paar schuilkelders die er voor hen waren. Veel te weinig voor al die mensen.  Ik ben er zelf nooit in geweest. Ik wist me buiten het licht van de zaklampen te houden als bij luchtalarm de arbeiders geroepen werden om zich naar de schuilkelders te begeven. Het waren maar kleine en primitieve bunkertjes. Ik noem het maar molshopen. Het waren kuilen in de grond met mogelijk een houten dak en daarover aarde. Als zo’n bunkertje getroffen werd door een fosforbom, stikten de mensen die erin zaten. Leen Schelling was bij zo’n voltreffer juist niet in die bunker. Het bombardement van 22/23 oktober 1943 overtrof in verschrikking veruit alle  vorige. Toen was door de Geallieerden er bewust voor gekozen om het oude stadsdeel  te vernietigen. Als officieel aantal wordt opgegeven dat 569 bommenwerpers bij dit bombardement  waren betrokken. Een Engelse vriend van me die ik na de oorlog in Engeland heb leren kennen, Erny Thompson, heeft zelf aan het bombardement deelgenomen. Hij  sprak van 800 bommenwerpers.

Kassel na het bombardement.

Kassel na het bombardement.

Er zijn ook heel wat vliegtuigen neergeschoten. Behalve dat er 18.000 ton aan bommen werd afgeworpen, werden ook fosfor- en magnesium bommen neergegooid die de binnenstad in een vuurzee veranderden. 95% van de oude binnenstad werd verwoest en circa 10.000 mensen zijn omgekomen. Zij die in bunkers zaten vonden daar een verstikkingsdood. Toen is ook de fabriek van Henschel &Sohn volledig vernietigd. Ik heb  de daar aangerichte verwoesting met eigen ogen aanschouwd. De draaibanken waren verwrongen en het dak was weg. De overlevenden van de Hollanders  kregen toen opdracht overlevenden  uit de bunkers in de stad te halen. Die het overleefden waren bijna allemaal hun verstand verloren. Ze kwamen gillend uit de bunkers. De straten lagen vol met dode mensen.

Deze laatste ontmoeting met mijn neef is heel  droevig geweest. Leen Schelling had juist een pakket met etenswaren van thuis gekregen. Daarin zaten ook door zijn moeder zelf gebakken stroopbrokken in, een ouderwetse lekkernij. We hebben  daar ook samen van gegeten. In de barak lagen wel  50 zieke jongens. Allerlei besmettelijke ziekten heersten daar. Ad Snijders was ook bij deze ontmoeting tegenwoordig . Die hield zich nog steeds bezig met het stelen van distributiebonnen, waarvoor ze hem nooit te pakken hebben  kunnen krijgen. Leen Schelling zei bij deze laatste ontmoeting  tegen me: “Ik kom nooit meer thuis. Zul je tegen mijn moeder niet vertellen hoe erg het met me is.”  Er volgde een zeer droevig afscheid. Hij hield mijn hand vast. We hadden als broers met elkaar omgegaan. We hebben elkaar daarna nooit meer gezien. Wel is Ad Snijders tot het laatst toe bij hem geweest en levend thuisgekomen. Ik heb hem vlak na de oorlog weer ontmoet. Hij moest de boodschap bij de ouders van Leen  Schelling gaan brengen dat hun zoon overleden was. Ik kom daar zo op terug. Behalve stelen van bonnen durfde  hij nog wel meer stoute stukken uit te halen.  Bij die laatste ontmoeting met mijn neef zaten we met  z’n drieën bij elkaar. Beneden liep de Lagerführer voorbij. Ad Snijders zei dat hij die wel eens te pakken wilde nemen. Hij gooide uit het raam een emmer water  op zijn hoofd. Die man had in de gaten uit welk raam dat water kwam. Hij kwam direct naar boven en begon vreselijk tegen hen uit te varen. Het had slechter kunnen aflopen. Ik ben daarna met mijn begeleider weer naar Frankenberg vertrokken om mijn verlofpapieren daar op te halen. Gerrit Vermeis zou de papieren in Frankenberg gaan ophalen.  Als hij ze in handen had, zou hij bij aankomst van de trein in Battenberg uit de trein gaan hangen en zwaaien. Dat is ook gebeurd. Samen zijn we toen naar Nederland gereisd. De tocht ging door het Ruhrgebied, waar de spoorbaan een aantal meters boven de grond ligt. Overal waren de verwoestingen door de bombardementen te zien. We zijn via Keulen gereisd dat ook zwaar getroffen was. In Utrecht moesten we  overstappen. Ik kwam tenslotte in Rotterdam aan. Met de elektrische tram ben ik aan de Groene Hilledijk terecht gekomen. Daar was een halte van de stoomtram. Ik ontmoette daar Krijn Klein n zijn vrouw, die ook aan de Oudendijk woonden. Krijn Klein heeft mijn koffer gedragen. Ik was nog zo zwak dat ik dat niet kon. Gerrit Vermeis is naar zijn familie gegaan in het Westland en weer teruggekeerd naar Duitsland. Ik ben op de tram gestapt die me naar huis zou brengen. Ik ben toen de termijn van mijn halfjarig verlof was verstreken niet teruggekeerd naar Duitsland,  maar ondergedoken. Een tijd van veel spanning en gevaar. Een verhaal apart.

De oorlog was al voorbij  zei ik toen ik Ad Snijders  weer ontmoette. Ons gezin  was toen bij Belder aan de Plaatsche weg geëvacueerd. Hij had  de portefeuille en portemonnee van Leen Schelling bij zich. Hij is tot het laatst toe bij Leen Schelling geweest. Snijders kunnen we niet meer  raadplegen, want hij is al jaren geleden overleden. Hij vroeg aan mij of ik deze voorwerpen aan de moeder van Leen Schelling wilde overhandigen, want hij durfde het niet te doen. Ik heb het toen op me genomen. Bij de Piershilse molen kwam ik Aart Schelling een  broer van Leen tegen. Ik vroeg hem of hij die voorwerpen aan zijn moeder wilde brengen. Hij wilde het ook niet doen. Hij liep huilend de molen in. Toen heb ik gezegd: “Dan zal ik het doen.” De familie Schelling was toen gehuisvest bij Kees van der Hoeven, in de volksmond Kees Kraak genoemd, aan de Sluisjesdijk in Piershil. Toen de moeder van Leen Schelling me aan zag komen, riep ze: ”Jij komt zeggen dat Leen dood is.” Zijn zuster Jaapje begon heel  hard te huilen. Luid huilend riep zijn moeder toen: “ Ik wou dat de laatste Duitser dood was.” Niet lang daarna keerden de families weer naar hun woning aan de Oudendijk terug. De broers van Leen vroegen mij nooit hoe het met hun broer was gegaan. Zijn vader zei: “Ik had daar moeten leggen.” Wel hebben ze me  gevraagd: “Waarom heb je hem niet meegebracht?” Dat was onmogelijk.  De moeder van Leen, tante Trui, die zeer verdrietig was, vroeg me: ”Hoe heb je hem aangetroffen? Hoe zag hij eruit? Was hij goed geschoren?” Ik heb haar de waarheid niet kunnen en durven vertellen. Hij had immers ook zelf gevraagd of ik het tegen zijn moeder niet te erg wilde maken.  Er zijn plannen geweest voor een herbegrafenis. Ik wist dat hij in een massagraf lag. Ik benzelf getuige geweest hoe de overledenen uit het kamp begraven werden. Later is in  de wijk Bettenhausen van Kassel een monument opgericht voor de overleden dwangarbeiders. Ik ben nog eens  in Kassel geweest met een reisgezelschap. Het programma liet tot mijn spijt niet toe om dat monument toen te bezoeken. Ik had het graag gewild.

Ik ga verder met mijn verhaal over mijn thuiskomst. Met de stoomtram ben ik huiswaarts gekeerd en in Piershil uitgestapt. Bij Kees van der Hoeven, in de volksmond Kees Kraak genoemd, heb ik gebeld naar Kees Kooij, de boer bij wie mijn familie werkte om te vertellen dat ik naar huis kwam. Oom Willem Schelling is me toen met zijn magere grijze hitje, gespannen voor de tilbury  van boer Kooij komen afhalen.Toen ik thuiskwam was dat een ontroerende ontmoeting. Ik zei tegen mijn moeder dat ik onder de luizen zat. Mijn kleren zijn toen in een teil met water gestopt. Ik was nog erg zwak. Het was niet nodig voor mij om te gaan werken. Er waren nog drie broers thuis, Gerrit , Willem en Aart.

Kort daarop kwam de evacuatie. Op de 19e februari, mijn verjaardag , was ik nog thuis. Ik heb mijn verjaardag thuis gevierd. Met ons huisraad op een boerenwagen zijn we vertrokken. Het ging moeder aan het hart dat we niet alles mee konden nemen. Er stond weinig water in de regenput. De waterbak liep onder de grond door. Daar hebben we wat serviesgoed en zo in verstopt. Toen we terugkwamen was alles er nog. Er werd veel gestolen en niet door de Duitsers alleen. We zijn geëvacueerd naar oom Jan van der Giesen, die met een zus van mijn vader , tante Jannetje, was getrouwd.Hij woonde  aan de oostzijde van de Moffendijk, nu Noorddijk. Het waren knechtshuizen van boer Hage. We zijn in zijn gezin opgenomen. Wij  verbleven in dekeuken. Het was een dubbel  huis over de sloot. Er was een bruggetje over de sloot om er te komen. In het voorste huis vanaf de Zuidzij woonde oom Jan en in het achterste Biesheuvel. Oom Jan was knecht bij boer Leen Hage. Zijn boerderij stond net boven aan de dijk aan de Westkant van de dijk. We hebben van de Oudendijk onze schuur en onze eigen koe meegenomen naar de Moffendijk. Onze koe werd ingeschaard  voor een bepaald bedrag. Overdag liep de koe  langs de dijk, maar ’s nachts in de schuur van Boekee. Die woonde juist voorbij het kerkje van de Zuidzij. De Duitsers namen ’s nachts wel eens een koe mee om die te slachten.Soms zelfs overdag. Ik heb het meegemaakt dat de Duitsers een koe van Hage hadden meegenomen. Ze sloegen het dier met een bijl dood en sneden het de kop af. Die lieten ze liggen. Ik heb hem meegenomen, want er zat nog heel wat vlees aan. De Duitsers gooiden wat ze niet gebruiken wilden van de koe in de sloot. De zes koeien van Boekee liepen langs de dijk. Hij woonde zelf net voorbij het kerkje van de Zuidzijde. Vader werkte toen bij boer Belder aan de Plaatsche weg.

In de tijd dat ik verlof had, ging ik ’s zondags naar het kerkje op de Zuidzij. Vaak preekte daar ds.Korevaar van Puttershoek. Als er een razzia op komst was, kwam de politieagent Piet Evertse waarschuwen. Hij gaf een briefjeaan de dominee. Die deelde dan mee dat jongens van een bepaalde leefijd gelegenheid kregen om te vertrekken.  De jongens verdwenen dan direct uit de kerk.

Eens  gingen mijn neef Willem en ik naar het sperrgebied. Dat was verboden terrein. Dat begon net voorbij de oosthoek aan de Kostverlorendijk. De boerderij van Arie Bouman en diens  boomgaard net ten noorden daarvan stonden  droog. Vandaar zwommen de hazen naar de dijk. Wij wilden hazen vangen. De Duitsers schoten op die hazen. Willem Tak, een boer van de Zuidzij kwam op de fiets aan. Hij kwam naar ons toe en zei tegen ons: “Wat doen jullie hier?” Ik zei tegen hem: “Wat doe jij hier?” Hij zei tegen me: “Ik ben jachtopziener van de Duitsers.”Ik zei: “Dan heb je een mooie baan.” Hij zei dat ik mijn mond maar moest houden, anders zou hij ervoor zorgen dat ik gebracht zou worden, waar ik niet naar toe wilde. Ik heb altijd gedacht dat hij me verraden heeft.” Ik zal je brengen daar waar je niet wil zijn”,had hij gezegd. De termijn van mijn verlof was intussen verstreken. Ik moest dus weer terug naar Duitsland, maar was niet van plan om terug te gaan. Ik kreeg een oproep dat ik op 29 aug. weer in Duitsland moest zijn.

Op dinsdag  29 aug. 1944. Ik heb de datum onthouden omdat mijn neef Willem van der Giesen die dag jarig was, kwamen er om ongeveer 6 uur ’s morgens  twee Duitsers van de Grüne Polizei op de fiets vanuit Numansdorp naar de Zuidzijde. Ze hadden die nacht waarschijnlijk gepatrouilleerd. Ze stonden voor de schuur op de hoek van de Moffendijk tegenover het kerkje. Mijn vader die op weg was naar boer Belder kwam ze tegen. Hij dacht:”Zou ik teruggaan om te waarschuwen?” Ik had onze koe gemolken die in de schuur van Boekee  stond. Ik liep met de emmer melk vanaf die schuur naar huis. De Duitsers legden hun fietsen aan de kant van de dijk en volgden me op 10 m. afstand. Ik dacht: “Nou ben ik erbij.” Toen ik binnen kwam, lag mijn moeder nog in de bedstee. Ze schrok vreselijk toen ik zei dat er Duitse soldaten op me af kwamen. Ze  sprong uit de bedstee. Ik zei haar dat ze niets moest zeggen. Toen ze binnenkwamen vroeg ik  of ze een “Tasse Kaffee”wilden hebben. Ze zeiden: “Nein.” Moeder had zich intussen aangekleed. We gingen naar onze schuur die we op het erf hadden opgebouwd. Moeder ging daar vaak zitten. Ze  vroegen naar mijn papieren. Ik had voedselbonnen en een vals persoonsbewijs, waarop stond dat ik werkte bij Klaas van Bergeijk. Daar had de ondergrondse voor gezorgd. Ik had ook mijn oproep voor terugkeer bij me. Toen de Duitsers even omkeken, gaf ik die papieren aan mijn zuster Jannigje die achter me stond. Die stopte ze in haar ondergoed. De Duitsers gingen weer weg. Ik kreeg opdracht om die dag naar de staf te komen in Numansdorp. Dat heb ik niet gedaan.

Diezelfde middag al kwamen dezelfde Duitsers terug, nu in een motor met zijspan en een vooruit gerichte mitrailleur in het zijspan. Het was toen rond de middag.  Ik geloof dat ze me zonder pardon dood hadden geschoten, als ze me te pakken hadden gekregen. Ik was toen juist  bij de boerderij van Leen Hage.  Leen Hage zag ze aankomen en zei met een vloek tegen me ”Ze komen je halen Arie .” Leen Hage was een grote kerel.  Hij ging voor me staan, zodat ze me niet konden zien. De Duitsers gingen naar het huis van oom Jan. Mijn broer Aart, die kappersleerling  was, 16 jaar oud,  ging juist over het bruggetje om naar zijn werk te gaan. Ze zeiden tegen hem: ”Jij gaat je broer waarschuwen.” Meteen gaven ze hem een vuistslag in zijn gezicht. De Duitsers kwamen toen naar de boerderij van Hage. Ik liep naar het kippenhok. Het koren dat niet in de schuur lag, was buiten opgestapeld tot een schelf. Oom Jan stond op een ladder en was bezig een zeil te leggen over de schelf. Leen Hage zei tegen me: “Kruip onder het zeil”. Dat heb ik gedaan. Tegen oom Jan zei hij: “Zet de ladder weg.” Dat Toen de Duitsers naar de dijk kwamen, vroegen ze aan oom Jan of hij Arie Schelling kende. Hij zei: “Ik ken hem niet.” Ze vroegen het ook aan Leen Hage. Die zei: “Hoe zou ik die kennen.” Ik hoorde dat allemaal aan toen ik onder het zeil lag. De Duitsers zijn om de schelf heen gelopen. Ik was bang dat ze de vormen van mijn lichaam onder het zeil zouden zien. Ze bleven daar de hele verdere  dag zoeken. Ik lag onder dat zeil en had het erg benauwd. Het was er bloedheet. Ik dreigde te stikken en riep in mijn nood de Heere aan. Mijn roepen is verhoord. Er bleek in het zeil een winkelhaak te zitten. Daar kon ik door ademhalen. Ik heb daar de rest van de  dag gelegen.

’s Avonds om een uur of 8 of 9 toen het donker was geworden, wilde ik van de schelf afkomen. Onder aan de schelf lag kort, dat is los koren. Ik ben naar beneden gesprongen en daar dus  heel zacht  op neergekomen. Er stond een boomstronk daar vlakbij. Ik dacht : “Dat is een Mof.” Ik nam me voor hard tegen hem aan te rennen en hem omver te lopen, zodat hij zijn wapen niet kon gebruiken. Het  was echter een boomstronk.  Ik deed me behoorlijk zeer. Ik ben toen over de dijk gevlucht naar Gijs Goudswaard, die aan de Zuidzijde woonde met zijn zus. Dat was een vriend van me. Hij woonde aan de dijk aan de zuidkant. Ik moest een boomgaard oversteken om bij hem te kunnen komen. In die boomgaard, waar ook gras was, liep een hengst. Ze hadden me daarvoor gewaarschuwd. Die duldde niemand  in zijn gebied. Die hengst kwam achter me aan en hapte naar me. Ik ben hard weggerend en  ben over het prikkeldraad gevallen. Toen kon hij niet meer bij me komen. Ik scheurde mijn kleren en viel ook in de dijksloot en zat onder de viezigheid. Alle afval van de mensen kwam in de sloot terecht. Zo kwam ik bij Gijs Goudswaard aan. Hij moest hard lachen toen ik hem vertelde, wat er gebeurd was.  Ik zei hem dat  dat ik zo niet binnen kon komen. Hij is bij mijn moeder schone kleren gaan halen. Gijs Goudswaard hoorde ook bij de de ondergrondse. Daar ben ik twee nachten geweest.

Ik kon niet bij Gijs Goudswaard blijven. Toen kwam Klaas van Bergeijk, de leider van de ondergrondse,  me halen op de fiets. Die was toen aan de Oosthoek geëvacueerd bij zijn zwager Sterrenburg. Zijn koeien liepen daar langs de dijk. Ik ben binnendoor over een pad tussen de landerijen naar de Oosthoek gegaan.  Ik heb daar één nacht geslapen bij zijn zoon Piet. Er sliepen steeds wel mensen. Ik kreeg last van vlooien. Klaas van Bergeijk vertelde dat ik in geval van nood bij een overval via een deur tussen woonhuis en schuur naar een til in de schuur moest gaan. Die til was van de vloer tot de nok volgestouwd met stro . Hij was ongeveer 4 bij 4 meter. Daar was een holte in tegen de muur , waarin je je met een touwladder naar beneden kon laten zakken. Later heb ik begrepen dat daar waarschijnlijk Engelse piloten verstopt zaten. Die werden daar vandaan naar het zuiden getransporterd. Klaas  van Bergeijk zei tegen me: “Als je daar iets over vertelt, schieten we je dood.” Om 4 uur werd ik gewekt en moest met Klaas van  Bergeijk mee. Ik vroeg hem waar we heengingen. Hij zei: “Dat zeg ik niet. Mond houden.” Hij bracht me naar Tinus van  Bergeijk, zijn broer, die in het dorp op de boerderij van zijn ouders zat. Die boerderij was net droog gebleven. Er stonden melkbussen, maar daar zat geen melk in, maar olie van koolzaad. De Van  Bergeijks hadden een ruilhandel, ook zwarte handel. Klaas van Bergeijk had connecties met de Duitsers. Dat kwam hem goed van pas als leider  van de ondergrondse.   Ik ben daar misschien een paar uur geweest. Klaas  van Bergeijk heeft me toen naar de boerderij van Buitendijk gebracht bij het nieuwe kerkhof.

De bewoners waren geëvacueerd. De boerderij stond droog, maar er omheen was allemaal water. We moesten er met lieslaarzen heen.Ik ben daar ongeveer 3 weken geweest. De eerste nacht sliep ik in een bed, waar de nacht daarvoor ds. Fokkema van Goudswaard geslapen heeft.  Er waren zo’n 9 onderduikers. Het was eigenlijk een doorgangspost voor onderduikers. Er was daar ook een zoon van politieagent Evertse van Zuid-Beijerland, die later naar de Zuidzijde is gekomen.  Klaas van Bergeijk wees een ontsnappingsweg aan als er nood was. Van de achterkant van de schuur moesten we dan naar de Oosthoek vluchten.  We kregen een mes  om ons bij een plotselinge overval van de Duitsers te kunnen verdedigen. Om de boerderij was het drassig. Op een keer hoorden we geplas  in het water. We dachten dat de Moffen kwamen.W e hielden onze messen gereed om toe te steken.  Toen we de deur opendeden zagen we een stuk of 5, 6 paarden die van het bladriet langs de sloot aten. Die paarden waren van Van  Bergeijk. Die bleven op de berm van de weg. Ze wisten precies waar de sloot was, zodat ze er niet in terecht kwamen.  Het eten voor ons moest ’s nachts gehaald worden. We liepen dan langs de trambaan. Dat eten lag een 100 meter van de dijk. Bij de werkplaats van timmerman Rozendaal  aan de dijk stonden  vaak   Duitsers. Niet iedereen  durfde eten te gaan halen. Ik ben zelf drie of vier keer om eten geweest.  Klaas van Bergeijk had gezegd dat we bij volle maan naar die plaats moesten kruipen en niet rechtop lopen.We kregen op die manier ook nieuws. Onder een steen bij een telefoonpaal  lag dan een illegaal blaadje.  We verveelden ons erg.  Sommigen van ons gingen vissen bij de heul, waar de tramlijn over liep. Klaas van Bergeijk mopperde daarover.Hij zei tegen me dat ik een echte onderduiker was. Het was gevaarlijk wat ze deden. Ik heb het nooit gedaan. Ik wilde er wel graag vandaan naar mijn moeder toe.

Na drie weken ben ik naar mijn neef Aart Schelling gegaan. Ik mocht bij hem komen. Hij  woonde met zijn vrouw aan  de dijk in Piershil. Hij was knecht bij boer Rutgers. De aanwaspolder, de buitenpolder, stond namelijk droog.Hij behoefde daarom niet te evacueren. Hij was zetbaas op de boerderij van Van Bergeijk. Daar ben ik nog geen drie weken geweest. Neef Aart was zenuwachtig. Hij was bang voor een overval door de Duitsers. Het in huis hebben van onderduikers was strafbaar. Hij zei  dat als ze je ontdekken, schieten ze mij dood. Toen er een gerucht kwam van een komende razzia, vroeg  Aart me of ik weg wilde gaan. Ik ben weggevlucht  achter het huis. Over een plank kwam ik in een boomgaard. Ik voelde als het ware de geweren van de Duitsers op me gericht. In die boomgaard  was  een varkenshok. Daar waren  wel drie varkens in. Het houden van varkens was toen ook verboden. In het hok lag stro. Ik wilde daarin wegkruipen. De varkens gingen echter knorren. Ze zouden me verraden.Ik ben daarom in een appelboom gekropen. Ik weet niet hoe lang ik daarin gezeten heb. Toen het gevaar geweken was, ben ik weer naar mijn neef teruggegaan.

Een paar dagen later kwam  Klaas van Bergeijk me om ongeveer 10 uur ’s avonds halen op de fiets met ook een oude rammelfiets voor mij.  Ik wilde graag naar mijn moeder. Ik durfde het nu wel te wagen om daarheen te gaan. Achter de havenkade was een boomgaard. Daarvandaan zijn we vertrokken. We moesten dan wel het sperrgebied in. Ik reed achter hem aan met mijn koffertje achterop. Bij het huis van Kees van der Hoeven stond een Duitse schildwacht. Ik zei tegen Klaas: “Daar staat een Mof.”Klaas van Bergeijk zei tegen me dat ik wat meer achter hem moest blijven en geen woord moest zeggen. Tegen de Duitse schildwacht zei hij:  “Guten Abend”. Hij kende hem waarschijnlijk. Klaas van Bergeijk had veel contact met de Duitsers. Klaas van Bergeijk vroeg of er nog kameraden van de soldaat in het sperrgebied waren. Hij zei  dat die er waren en liet ons doorgaan. We fietsten toen verder naar de Zuidzij. Onderweg zagen we in de verte een aantal lichten.We waren toen bijde Jeneverboom bij het begin van de dijk van de Oosthoek. Ik vroefg me af of daar Duitsers zouden zijn? Even later waren die lichten verdwenen. Bij het café “De Drie Linden.”stonden zeven Duitsers midden op de dijk. Klaas van Bergeijk belde  en zei tegen hen: “Ik ben Bergeijk.” Ik was in grote nood en riep: “Heere help me.” Ineens gingen de Duitsers uit elkaar. Vier gingen er de ene kant op en drie de andere kant. Ze waren gewoon verblind en hebben me helemaal niet gezien. Het was een groot wonder voor me. Klaas van Bergeijk bracht me naar Gijs Goudswaard. Hij is niet dezelfde weg teruggegaan. De Duitsers zouden het niet vertrouwen als hij  alleen dezelfde weg  terugging. Hij is toen over een pad dat door de polder liep teruggefietst. Die nacht heb ik bij Gijs Goudswaard geslapen en de volgende dag ben ik naar mijn moeder gegaan. Die wist van niets.

We zijn nog enkele maanden aan de Zuidzij gebleven. Ik  kwam niet veel buiten, uit angst voor boer Tak. We hadden een hond Bob, een bonte, zwart met wit. Die begon te blaffen als er Duitsers aankwamen. De Duitsers bivakkeerden in een schuur aan de Zuidzij. Mijn vader hitste onze hond   nog wat op als ze er aan  kwamen. Ze bonsden op de deur en riepen dat de deur open gemaakt moest worden. Ik kreeg dan gelegenheid om onder de vloer te kruipen. Soms ging ik in het café biljarten. Daar kwamen ook regelmatig Duitsers om een glas bier te drinken. Hendriks, de caféhouder, zei dat we als er Duitsers kwamen, we door de achterdeur de polder in moesten vluchten.” Regelmatig kwam een Duitser bij de schuur het water in het onder water gezette gebied peilen. Hij placht te zeggen: “Geefmij maar spekkie, dan staat het water altijd goed. Die “waterkijker” keek mij wel  onderzoekend aan, maar liet me verder ongemoeid.

In de maand november vluchtten de Duitsers uit de Willemstad. Ik heb ze zien komen. Ze liepen in colonne, in rijen van drie en hadden kinderwagens en andere karretjes bij zich, waarin hun ransels en wapens lagen.  Jan Hage, een zoon van boer Leen Hage riep tegen hen. “Is dat jullie neue Waffe?”Dat was niet wijs.  De Duitsers werden boos.Toen ik bij het café stond met de schilder Eduard Heshof gooide die een sigarettenpeukje naar de Duitsers. Dat was ook niet wijs. Dat kwam bij één van hen aan de binnenkant van zijn kraag terecht. Dat zal pijnlijk  geweest zijn. Ik ben toen hals over kop de dijk af gerend en weggevlucht. Die Duitsers moesten ingekwartierd worden. Willem Hoek die aan de dijk woonde had tegen me gezegd dat hij dat niet zou dulden. Hij zou ze aan de riek rijgen. Ik heb hem gewaarschuwd dat hij in zijn eentje de oorlog niet kon winnen. Toen de Duitsers bij hem kwamen, stond hij inderdaad met de riek klaar. Ik kon van het huis waar we woonden op de achterkant van zijn huis kijken. Ik heb twee schoten gehoord. Ze hebben hem inderdaad doodgeschoten. Dat is op 15 nov. 1944 gebeurd. Hij is op een boerenwagen naar het kerkhof van Nieuw-Beijerland vervoerd.  Een zoon van Hage had de sigaretten weggehaald die in hun schuur gelegd waren en die aan de Duitse soldaten werden verstrekt. Hij had ze aan verschillende mensen uitgedeeld. Toen de Duitsers er achter kwamen, zeiden ze als ze niet voor een bepaalde tijd ’s avonds terug werden gebracht, ze de boerderij in brand zouden steken. Hij ging de sigaretten weer terugvragen, maar er waren er al opgerookt. De Duitsers gingen toen in alle huizen zoeken. Mijn neef Willem van der Giesen en ik zijn toen door een luik onder de vloer gekropen.  Willem van der Giesen was voor de oorlog vrijwillig naar Duitsland gegaan. Hij was in de buurt van Berlijn gaan werken. Hij is lasser geworden. Toen hij verlof had, is hij ook niet teruggekeerd naar Duitsland. Toen we onder de vloer zaten, zagen we de Duitsers door de muurroosters voorbijlopen. We zouden ze zo in hun enkels kunnen prikken. We zijn maar wat achteruitgegaan, omdat er licht door de roosters binnenviel. Naast ons was een schoonzoon van Biesheuvel met zijn vrouw in huis. Ik meen dat hij Snijders heette. Hij zocht een schuilplaats onder een takkenbos buiten. Hij kroop daarheen. De Duitsers zagen hem. Ze gingen op hem af, omdat ze dachten dat hij iets te verbergen had. Ze hebben hem geslagen met de kolven van hun geweren. Zijn vrouw riep allemaal: “Niet doen, niet doen.” Ze zouden hem doodgeslagen hebben.

In de winter zijn we verhuisd naar Boer Wijnand Belder, die woonde op een boerderijtje aan de Plaatse Weg. Vader werkte daar al toen we naar de Zuidzij zijn geëvacueerd. Op het land daar vlakbij vonden droppings van wapens plaats voor de ondergrondse. Die wapens gingen dan naar de boerderij van Traas in de Oud-Beijerlandse polder. De eerste dropping vond geen doorgang, omdat er Duitsers in de buurt waren. Toen vader daar aan het ploegen was, kwamen er dikke paardeharen kussens naar boven, die bedoeld waren om de wapenkisten op te vangen. Vader kon die wel gebruiken om ze in de kachel te verstoken. Hij nam ze achter op de fiets. Toen Piet Hage, die ook bij het verzet was en een zoon van boer Leen Hage dat zag, riep hij tegen vader:”Gooi die dingen er af,als de Duitsers het zien schieten ze je dood.”

In de winter moesten alle evacués van de Moffendijk weg. Ik weet de datum niet precies. Ik heb nog meegemaakt  dat er een Duitser verdronken is. Het vroor en twee Duitsers wilden op het ijs van het geïnundeerde land gaan schaatsen. Het ijs was nog niet vertrouwd. Er liep daar een kreekvan wel 3 m diep. Je kon niet zien waar die precies liep. Die Duitse soldaten zijn door het ijs gezakt.Eén is er verdonken. Ik stond juist buiten en heb die andere om hulp horen roepen. Hij is door Bom die daar dichtbij woonde gered.

In de winter zijn we dus verhuisd naar boer Wijnand Belder. Hij wilde ons graag hebben. Hij was erg bang voor de Duitsers. Ik weet de datum van verhuizing niet meer. Onze koe en onze hond namen we mee. Ook de schuur die we op de Zuidzij hadden, hebben we daar weer opgebouwd. Die was eigenlijk van Speelman. Broer Wim en mijn zus Anna gingen naar de Zinkweg . Daar woonde Kees Vos, die met een nicht van ons was getrouwd. Dat was n nicht Jannie, een dochter van oom Bastiaan de Zeeuw en tante Jaapje Schelling, een zus van mijn vader. Vader en moeder met mijn broers Aart en Gerrit en mijn zus Jannigje trokken bij Belder in. Wim en Anna zijn later ook naar ons gekomen. Wij hadden volop te eten. Bij Kees Vos was niet zoveel te eten.. Hij zag mijn broer en zus graag vertrekken. Wij sliepen allemaal op de grote zolder. Wij aten in de kamer en Belder met zijn gezin in de keuken. Belder had zelf zes of zeven koeien. Ik molk die voor hem. Hij beloofde dat hij mij daar een fooi voor zou geven. Die heb ik echter nooit gekregen.

Ik had bij Belder ook een schuilplaats, om daarin weg te kruipen als er Duitsers zouden komen. Via een deur  in de loods kwam je in een gang die naar de inrijdeur van de schuur liep. Er waren daar een paar kalveren. Onder een gebint, een gedeelte van de schuur, was een boerenwagen geplaatst. Het gebint werd helemaal gevuld met stropakken, ook over die wagen heen, zodat die van buitenaf niet te zien was. Als mijn vader een pak stro weghaalde, kon ik onder die wagen kruipen. Mijn vader zette dan de pak stro weer op zijn plaats. Ik  heb één keer onder die wagen gezeten. Er was toen een muis in mijn broekspijp gekropen. Ik heb hem doodgedrukt.

Op een keer kwamen er twee of drie Duitse officieren met een jeep naar de boerderij. Ze kwamen om klaverhooi voor de paarden. Paarden lusten dat graag. Boer Belder zei: “Dat krijgen ze niet.” Dat was niet verstandig om dat te zeggen. Ik heb hem gewaarschuwd. ’s Middags zouden ze met een wagen komen om dat hooi te halen. Vader wist een oplossing. Hij ging boven op een tas staan. Langs de tas was een weeg, een planken wand. Omdat die houten weeg vaak vochtig was, beschimmelde het klaverhooi langs de weeg, wel een meter breed. Vader schudde het stof van dat beschimmelde  hooi over al het hooi uit. Als paarden beschimmeld hooi eten gaan ze dood. Toen de Duitsers het hooi zagen wilden  ze het niet hebben en ze vertrokken.

Op een andere keer kwamen er twee Duitsers op de fiets naar de  boerderij. Boer Belder had nogal wat zilvergeld.  Dat mocht je in de oorlog ook niet hebben. Het zilvergeld zat in een weckpot. We zaten bij de koeien. Ik heb toen die weckpot begraven onder de koeienstront en daar stro over heengedaan. Belder had ook een radio. Die mocht je ook niet hebben. Die heb ik in een leeg olievaatje gestopt met een lege zak waar kalksalpeter in had gezeten om het radiotoestel heen. Die zak was waterdicht. Dat vaatje met de radio erin heb ik bij een boom  begraven.

Dicht  bij de boerderij van Belder was op het land van boer Herweijer een grote aardappelpit. Van tijd tot tijd werd de bedekking daarvan open gemaakt om er aardappels uit te halen.  Die boer moest ook aardappels aan de Duitsers leveren. Toen die aardappelpit open lag en de arbeiders even weg waren, kwamen er Rotterdammers die om voedsel kwamen vragen op het platteland bij die open aardappelpit. Het was de verschrikkelijke hongerwinter. Die hebben de zakken die ze bij zich hadden gevuld met aardappels. Ze hebben heel wat kilo’s meegenomen. Moeder gaf ze ook regelmatig eten mee. Ze kookte dan een pan aardappels. Buiten stonden hongerige Rotterdammers te wachten. Ze schoof het raam omhoog en gaf ze te eten. Eens kwamen er een paar aan de deur. Wij hadden aardappelen genoeg. Onze scheerkwasten waren versleten. Die hadden ze bij zich. Die kregen wij van hen en zij mochten aardappelen rapen zoveel ze wilden. Ze hebben heel wat meegenomen.

Ik was gewend om’s avonds om een uur of negen naar buiten te gaan. Overdag durfde ik me niet veel te vertonen. Toen ik in op een avond ’s winters naar buiten ging, hoorde ik zingen. Het was een meisje dat zong in de grindbak langs de weg.  Ze zong: “Een vaste burg is onze God-Een toevlucht voor de Zijnen-Al drukt het leed, al dreigt het lot-Hij doet Zijn hulp verschijnen.”Met name die laatste versregel trof me zo dat ik me gedrongen voelde om naar haar toe te gaan. De landwegen waren in die tijd nog allemaal grindwegen. Er moest regelmatig grind  bijgevuld worden, Dat grind lag in bakken langs de weg. Het was die avond koud. Dat kind zong dat lied in die grindbak. Wat had ik met het kind te doen! Ze was ook veel te dun gekleed. Het kind was zeven jaar oud. We wilden ze naar binnen halen. De boer wilde dat niet toestaan. Zijn vrouw zei: “Wijnand, Wijnand.” Ze hadden zelf een dochtertje Teuntje van ook zeven jaar.. De boer was niet te vermurwen.  Wij hebben ons toen over haar ontfermd. In onze schuur, waar onze fietsen stonden, heb ik toen een bed voor haar klaar gemaakt van jute zakken  met een oude paardedeken. Moeder heeft warm eten voor haar klaar gemaakt en een flesje met warme melk.  Haar behoefte kon ze doen in en hoekje van de schuur. Daarna deden we de deur op slot.  Toen we ’s morgens vroeg gingen melken hebben we deur weer open gedaan. Ze mocht van de boer niet blijven. Moeder heeft haar nog boterhammen en melk gegeven. Toen is ze weggegaan. We hebben nooit meer iets van haar gehoord.

We mestten daar ook een varken, wat ook niet mocht. Op een morgen zag ik voetstappen om het varkenshok heen. Ik waarschuwde vader dat we diezelfde dag het varken moesten slachten. Anders zou het gestolen worden. Dat is gebeurd. De nacht daarop was er weer iemand geweest. Wij wisten wel wie dat geweest was.

Op zaterdag 5 mei, toen het vrede was geworden, ben ik op de  fiets naar ons huis aan de Oudendijk gegaan. Ik had lieslaarzen aan. Ik ontmoette daar Gerrit Kersten de opzichter van het gors. Hij behoefde van de Duitsers vanwege zijn functie  niet te evacueren. Hij had zijn verblijf in een huis aan de Oudendijk. Er waren die dag nog gewapende Duitsers. Er was een Duitse soldaat op de dijk die tegen me zei: “Auf wiedersehn.” Ik zei tegen hem:”Nicht auf wiedersehn.” Kersten zei dat hij dat een gevaarlijke opmerking vond. Ze hadden me wel neer kunnen schieten. Ze waren immers nog gewapend. Het was een rommel  in ons huis. Maar er was niet gestolen, wat vaak gebeurde. Het serviesgoed dat ik in de regenput had verstopt was er nog en onbeschadigd. Toen ik naar Piershil ging, ontmoette ik daar Aart Schelling, de broer van Leen Schelling. Ik had de portefeuille en portemonnee van hem een paar dagen geleden van Ad Snijders gekregen. De broer van Leen Schelling wilde die twee eigendommen niet naar zijn moeder brengen. Toen heb ik dat moeten doen. Ik heb de ontmoeting met de moeder van Leen al eerder meegedeeld.

Tot zover mijn verhaal over wat ik in de oorlog heb meegemaakt.

Arie Schelling is geboren op 19 febr. 1923 aan de Oudendijk te Goudswaard en heeft dit verhaal aan mij (Adriaan Bijl) verteld.

 

6 Comments

Add a Comment
  1. Dag meneer van den Heuvel,
    Ik was zeer ontroerd en getroffen door dit artikel waarin o.a.iets over mijn vader Ad Snijders voor kwam. Nooit wilde mijn lieve vader in leven spreken over de vreselijke tijd in Kassel.Door dit artikel zijn we hier nu iets over te weten gekomen.Het houdt me nog steeds bezig. Ik heb het verhaal voorgelezen aan een nog in leven zijnde broer Hans Snijders van mijn vader en die was er ook zeer door geraakt.

    1. Henk van den Heuvel stuurde me uw reactie door. Het doet me veel goed dat het door mij opgestelde verhaal dit teweegbrengt. Ik weet dat velen die vreselijke gebeurtenissen uit deze tijd hebben meegemaakt, daar nauwelijks of helemaal niet over kunnen spreken.

      Hartelijke groeten

      Adriaan Bijl

  2. Geert van der Meijs juli 23, 2016 at 8:39 am Edit
    Beste Meneer

    Ik ben Geert van der Meijs een zoon van Gerrit van der Meijs uit Maasland en wil reageren op uw verhaal van Arie Schelling (evt. graag de naam aanpassen in uw verhaal). Mijn opa was inderdaad tomatenteler in de Zuidbuurt in Maasland. Ook wij hebben altijd weinig los gekregen van onze vader over wat er in Duitsland is gebeurt. Ik heb 5 jaar geleden wel de brieven gekregen die mijn vader vanuit Duitsland naar zijn ouders heeft verstuurd. Hierin staan stukjes informatie maar verder ook erg weinig. Ik ben zelf op internet aan het zoeken naar informatie en kwam u verhaal tegen dat raak vlakken heeft met de inhoud van de brieven van mijn vader. Dat hij iemand thuis heeft gebracht naar Nederland was ons niet bekent. Kan ik in contact komen met de heer Schelling of zijn familie . Graag verneem ik of u nog meer informatie heeft die voor ons interessant kan zijn.

    Geert v d Meijs

    1. Geert,
      Mijnheer Schelling belde mij op dat hij met jou in contact wilde komen.
      Wil jij hem bellen? zijn nummer is 0186/692682

  3. Hallo: Ik heb het verhaal gelezen het moet voor de mensen een verschrikking zijn geweest om af gevoerd te worden naar een werk kamp en dan daar bij nog slecht te eten krijgen. Het verhaal heeft mij geboeid .Heb zelf niets daar van mee gemaakt.

  4. ook ik ben al lang op zoek naar verhalen van mensen die in kassel zijn geweest tijdens het bombardement, mijn opa zat destijds ook als dwangarbeider in kassel, ik heb zijn fabriekspas van de henschelfabriek nog en zijn duitse paspoort. Als kleine jongen was ik al gefascineert door wo2 maar veel heeft hij er niet over verteld, wat ik me nog goed kan herinneren dat als hij erover vertelde dat je in zijn ogen kon zien dat hij er weer terug was, dit heeft op mij zeer veel indruk gemaakt en na het bekijken van diverse documentaires en het lezen over het bombardement is het heel bijzonder dat hij dit heeft kunnen overleven…….

    Bryan van de Goorbergh

Laat een reactie achter op Adriaan Bijl Reactie annuleren

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

WO2 Hoeksche Waard © 2014

Door de site te te blijven gebruiken, gaat u akkoord met het gebruik van cookies. meer informatie

De cookie-instellingen op deze website zijn ingesteld op 'toestaan cookies "om u de beste surfervaring mogelijk. Als u doorgaat met deze website te gebruiken zonder het wijzigen van uw cookie-instellingen of u klikt op "Accepteren" hieronder dan bent u akkoord met deze instellingen.

Sluiten