WO2 Hoeksche Waard

Een website over WO2 in de Hoeksche Waard

De oorlogsherinneringen van Aart van der Wulp

Facebooktwittergoogle_plus

De oorlogsherinneringen van Aart van der Wulp (1919 – 2006), door Will van Velsen-Griffioen.

utrecht-hojel-kazerne

Hojel-kazerne te Utrecht

In juli 1939 moest ik in militaire dienst. Ik kwam in Utrecht in de Hojel-kazerne. In mijn vak als schilder ben ik in dienst nooit werkzaam geweest. Het was pure bureaucratie, de eerste zoveel kwamen daar en de volgende daar. Ik werd ingedeeld bij de luchtdoelartillerie en zou een opleiding krijgen als seiner-telegrafist. Ik heb het morsealfabet nog geleerd en seinen met bewegingen en vlaggen, maar nooit erg goed, want in augustus kwam de mobilisatie en werd de opleiding afgebroken. We gingen naar Alkmaar en werden daar in een danszaal ondergebracht. Die was daartoe gevorderd, want zo gaat dat bij militairen, die vorderen gebouwen. Na een week kwam ik in Alkmaar te werken op een registratiekantoor. Daar werd ik facteur, moest de post rondbrengen, boodschappen doen, de boel opruimen. Ik had zelfs een dienstfiets, met voor op het stuur een rood-wit-blauw vlaggetje en achter op het spatbord een plaatje met erop “Depot LUA”. Ik had een sergeant-majoor boven me. Dank zij mijn werk was ik niet in een kazerne ondergebracht, maar in een huis, dat gevorderd was, op de Van Houtenkade 28, een gewoon burgerhuis. Daardoor hoefde ik nooit de appèls bij te wonen. Ik sliep in hetzelfde huis als waar het bureau was. Het was een heel leuk en vrij leven daar in Alkmaar.

Op 1 april 1940 veranderde er heel wat, toen moesten veel onderdelen naar hun definitieve plek verhuizen. Ik niet, ik bleef op kantoor in Alkmaar. Vlakbij was het vliegveld Bergen. Op 10 mei 1940 werden we om 5 uur ’s morgens wakker door geluid van bombardementen. We kwamen uit onze bedden en waren nieuwsgierig wat er aan de hand was. Wisten wij veel dat het oorlog was. Ik trok mijn jas aan over mijn pyjama en ging met de foerier mee achterop zijn motor om te kijken wat er aan de hand was. Die foerier had een DKW 125 m³ motor, een kleintje dus. Hij had net als ik zijn jas aan over zijn pyjama. We gingen gewoon kijken en hadden er helemaal geen erg in dat dat link was. We kwamen in de buurt van het vliegveld en zagen vliegtuigen in de lucht. Dat het Duitse vliegtuigen waren, wisten we niet. We zagen op de grond grote vuurgloeden. Achteraf hoorden we dat er zo’n 6 tot 8 G-1’s aanwezig waren, waarvan er maar twee hadden kunnen opstijgen toen de Duitse bombardementsvliegtuigen kwamen. De anderen lagen juist uit elkaar voor een revisiebeurt. Sabotage natuurlijk. Dat het oorlog was, wisten we nog steeds niet. We gingen terug naar Alkmaar en ook daar kon niemand iets vertellen. Het gewone leven ging gewoon door, de administratieve werkzaamheden ook. Opdrachten om zelf actief aan de oorlog deel te nemen kwamen er niet. Maar maandag kwam de eerste opdracht: we moesten een vrachtauto vorderen, daarin de hele administratie laden en ermee naar IJmuiden rijden. Maar toen we in Beverwijk aankwamen, moesten we wachten. Alles bleek dicht te zitten. Wij gewone militairen wisten niet wat de bedoeling was. Achteraf begreep ik dat wij op weg waren geweest om via IJmuiden een boot naar Engeland te nemen om de luchtafweerpaperassen daarheen over te brengen. We moesten lang wachten daar in Beverwijk. Toen kregen we opdracht (via de telefoon) dat we terug moesten naar Alkmaar en alles terugbrengen. Ik denk dat IJmuiden helemaal verstopt was met vluchtelingen en dat er geen boot te krijgen was, maar als er een andere reden was, dan hoorden wij dat toch niet, want wij gewone soldaten werden daar niet over geïnformeerd. Ik denk dat wij op dinsdagmorgen weer terug waren in Alkmaar. Toen maar weer wachten en het gewone werk doen als altijd. Op zondag, 20 mei denk ik dat het was, besloot ik naar huis te gaan, met mijn fiets. Ik zei er niemand iets over, ik ging gewoon. Nu was dat in die tijd eigenlijk helemaal onvoorstelbaar, omdat een militair niet verder dan 10 km van zijn afdeling verwijderd mocht zijn. Ik reed naar Heemskerk, daar was Piet de Zeeuw gelegerd. Misschien wilde hij mee. “Man, je komt er nooit”, zei Piet me. Je komt maar 10 km. Ik was eigenwijs, ik ging toch, ik vond er wat op. Ik reed namelijk met mijn fiets van de ene plaats naar de andere en telkens als ik aangehouden werd, en dat was heel vaak, noemde ik de plaats waar ik net vandaan kwam en de plaats die er dichtbij lag. Zo zorgde ik, dat ik steeds reisjes had van 10 km. Eer ik in Haarlem was aangekomen, was ik al drie keer aangehouden door Nederlandse militairen. Steeds hadden ze me de vraag gesteld waar ik vandaan kwam en waar ik naar toe ging. Ik noemde altijd plaatsen in de buurt en kwam zo zonder problemen verder. In Den Haag was de weg door de Duitsers afgezet, vanwege brandende vliegtuigen. Ik ben toen omgekeerd en heb mijn weg via het Westland vervolgd, via Monster. Ten slotte kwam ik in Rotterdam, maar daar was helemaal niet door te komen. Overal rokende puinhopen. Overal afgebroken wegen.

Ik herinnerde me toen opeens een wagenveer bij Waalhaven. Daar ben ik naar toe gefietst en ik kon met dat veer over naar Charlois, Rotterdam-Zuid. Ik ben er wel tien keer aangehouden: Waar kom je vandaan. Waar moet je naar toe? Maar mijn antwoorden werden altijd geslikt. Ik reed verder naar Barendrecht, ging de Barendrechtse Brug over en vond het in de Hoeksche Waard heel rustig. Zo tegen vijf uur ’s middags kwam ik in ‘s-Gravendeel aan. Hoewel mijn ouders op de Strijensedijk woonden, ging ik niet naar hén toe, nee ik ging naar mijn vriendin in het Weegje. Haar ouders, Wols, woonden destijds hiernaast (nu heet dat stuk Weegje Hendrik Hamerstraat). Mijn zus zei later dat het een schande was dat ik eerst naar mijn meisje ging en niet naar mijn ouders. Mijn moeder was namelijk daarvoor al bij mijn toekomstige schoonouders langs geweest om hen te vragen mij naar huis te sturen zodra ze me zagen. Dat deed ik dus niet. Terwijl ik het dorp binnen fietste, begon de kerkklok te luiden, mensen gingen naar de kerk. Hoe dat ging weet ik niet, ik ben er niet binnen geweest. De spits van de toren was eraf geschoten, er zat een kogelgat in het bord van de Tien Geboden (dat is inmiddels gerestaureerd) en ook op andere plekken waren kogelgaten. Van enkele banken waren splinters afgegaan doordat granaten er rakelings langs waren gekomen. In het middenschip van de kerk is een granaat in de kap gekomen. Dat is allemaal naderhand gerestaureerd. Het huis hiernaast was ook door een stuk van een granaat getroffen: de overstek was er afgeschoten. Daar woonde in die tijd Cor Aardoom met zijn ouders. Het huis was eigendom van Dirk den Boer, de vader van Janus den Boer, die het voor zichzelf had laten bouwen. Janus liet voor Kleingrondbezit een huis bouwen aan de Boendersweg en omdat hij ongetrouwd was, kwamen zijn ouders bij hem wonen en werd het huis hiernaast verhuurd. Janus is vrij laat getrouwd, hij was al 45 jaar en toen bleef hij aan de Boendersweg wonen en zijn zijn ouders hier weer teruggekomen. Later is het huis aan Van Twist verkocht. Die heeft hier 40 jaar gewoond. Maar dat is een ander verhaal.

Er was nogal wat kapot in ‘s-Gravendeel, maar het was er wel rustig. De maandag daarop ben ik weer, op mijn manier, teruggefietst naar Alkmaar, steeds weer via de dorpen die een 10 km van elkaar verwijderd lagen. Toen ik terug kwam, vroeg de hoofdfoerier: “Waar ben je geweest?” “Thuis”, antwoordde ik naar waarheid. “Jij heb twee maal een appel gemist, ik zet je op rapport”. Ik vond helemaal niet dat ik een appel had gemist, ik hoefde nooit bij het appel te zijn, als ik maar binnen was. Ik was natuurlijk theoretisch wel in overtreding geweest, maar ik vond mezelf niet zo’n grote zondaar. De man dreigde zelfs met de krijgsraad. En dat in oorlogstijd. Er is gelukkig geen werk van gemaakt, maar ik kneep hem wel een beetje. Ik was net twee dagen terug of mijn chef gaf me de opdracht mijn fiets tegelijk met zijn dienstfiets in Alkmaar te brengen. Ik bekeek zijn fiets eens en besloot die te houden. Het was een mooie Cedudor. Zulke fietsen kon je in Dordrecht bij Duimel kopen. Wat deed ik? Ik bracht alleen mijn eigen fiets bij de inzamelplaats in Alkmaar en er werd afgetekend dat ik een fiets had ingeleverd, ik zette de fiets bij de andere fietsen en ging terug. Nu had ik de fiets van mijn chef verdonkeremaand. Die was nog herkenbaar als dienstfiets door het geverfde vlaggetje op het stuur en het embleem op het achterspatbord. Ik zorgde voor zwarte verf en schilderde de twee stukjes keurig over, zodat niets meer terug deed denken aan de militaire staat. Toen was het wachten op ontslag uit dienst. Wie werk had, mocht het eerste vertrekken. Ik schreef naar huis dat ik een baas zocht, eventueel zogenaamd, als het maar op schrift stond, dan kon ik naar huis. Mijn vader is toen met Henk Visser aan de Smidsweg gaan praten en die nam mij in dienst. Daardoor hoefde ik maar drie weken in Alkmaar te blijven en kwam ik al spoedig weer thuis. Met mijn fiets, oftewel de ex-fiets van mijn chef. Die fiets heeft lange tijd dienst gedaan. Toen de banden versleten waren, deed ik er pitto-banden om.

Ik werkte maar kort bij Henk Visser. Er kwam weer meer werk. Voor afgezwaaide soldaten die geen werk konden vinden, werd de opbouwdienst opgericht. Ik was af en toe korte perioden in de winter zonder werk, maar dat was maar weinig. In 1943 kreeg ik een oproep om me in Amersfoort bij Organisation Todt te melden. Daar had ik helemaal geen zin in en ik bedacht iets om daaraan te ontsnappen. Ik ging gewoon op weg naar Amersfoort, vertelde dat ook aan iedereen, maar ging in werkelijkheid naar Epe in Gelderland, naar een kennis van mijn schoonouders. Die was als gemobiliseerd militair in ‘s-Gravendeel ingekwartierd geweest bij Van der Giessen en was ’s avonds bij mijn schoonouders op de koffie geweest. Hij was bakker van beroep. Bij die bakker mocht ik tijdelijk onderduiken. Ik hielp wat in de bakkerij en kreeg ook kort werk bij een schilder. Ik had echter geen papieren. Mijn vriendin kwam me, drie maanden later, bezoeken. Terwijl ze er was, hoorden we dat alle mannen die van buiten Gelderland afkomstig waren, zich moesten melden. Daar had ik geen zin in en daarom besloot ik te vertrekken. Samen met mijn vriendin vertrok ik met het openbaar vervoer. In Gouda konden we niet verder. We wachtten op het perron samen met een heleboel andere mensen, uren lang. Ten slotte besloten we verder te gaan lopen. Ik wilde naar Gerrit Trompetter in Schoonhoven, die met mijn nicht was getrouwd en in Schoonhoven een smederij had. Het was 15 km lopen. Dat was op zich niet zo erg, mijn vriendin en ik konden dat best aan, maar ik had een houten koffer bij me met mijn eigendommen en dat ding was knap lastig dragen. We zagen een paar jongens die samen een taxi namen naar Schoonhoven en ik vroeg hen of zij voor een rijksdaalder mijn koffer bij Gerrit Trompetter wilden afgeven. Dat wilden ze wel, een van de jongens was zelfs de buurjongen van Gerrit. Zo liepen we naar Schoonhoven en maakten praatjes met anderen, die ook lopend op weg waren. Zo was daar Verhagen, een vertegenwoordiger in verf en glas, die me vroeg: “Wat ga je in Schoonhoven doen?”

“Dat weet ik nog niet, ik heb nog geen plannen gemaakt,” antwoordde ik, “ik heb geen papieren, dus het is wat moeilijk.” “Kom maar bij mij,” zei Verhagen. En zo had ik meteen al een baantje te pakken. Gerrit Trompetter stond raar te kijken toen wij aankwamen. Hij had al helemaal niet begrepen waarom er een houten koffer werd bezorgd. Hij vroeg: “Hoe kom je hier? Wanneer ben je hier aangekomen? Lopend. Zojuist,” gaven wij ten antwoord. Toen bleek dat juist die dag Schoonhoven de hele dag door de Duitsers was afgezet. Ieder die binnenkwam was gefouilleerd en onderzocht. Om 5 uur was de blokkade opgeheven. Als wij met het openbaar vervoer waren gekomen, zo die had gereden, dan was ik tegen de lamp gelopen. Nu was ik, omdat we om half zes het stadje waren binnen gekomen, de dans ontsprongen. We waren welkom. De dag daarop vertrok mijn vriendin. Ik heb een week bij Gerrit gewoond en omdat hij zijn ruimte nodig had, heb ik een kosthuis gezocht en die gevonden bij een groenteboer. De ondergrondse van Schoonhoven voorzag mij van bonkaarten zodat ik voldoende kon kopen. Ik ging af en toe naar mijn zus in Dubbeldam en dan ontmoette ik daar mijn meisje, die op datzelfde moment mijn zus kwam opzoeken. Vandaar nam ik mijn fiets met pitto-banden mee terug. Op een keer fietste ik van Schoonhoven naar Gouda. Daar wilde ik in een winkeltje een pakje shag kopen met mijn tabaksbonnen. Na mij kwam een Duitser in de winkel, die waarschijnlijk ook voor tabak kwam. Ik was klaar, ging naar buiten en zag dat de Duitser zijn fiets tegen de mijne had aangezet. Die fiets was niet op slot. Het was een mooie fiets, veel mooier dan de mijne, en hij had echte banden, terwijl mijn fiets pittobanden had. Ik aarzelde maar even. Ik stapte op de fiets, die de Duitser waarschijnlijk ook niet eerlijk had bemachtigd, en reed er mee weg, zo snel ik kon, als een bezetene, richting Schoonhoven.

De Duitser kwam mij niet achterop. Zodoende had ik de rest van de oorlog een goeie fiets tot mijn beschikking. Dolle Dinsdag kwam, september 1944. Ik hoorde de wildste verhalen. De Geallieerden waren al bij Moerdijk, werd gezegd. Ik dacht: straks is ‘s-Gravendeel bevrijd en zit ik hier vast, ik ga terug. Dus ik nam de fiets en reed naar Dubbeldam. Daar bleef ik een paar dagen, wachtend op de bevrijders, die niet kwamen. Toen dacht ik: ik ga naar huis. Ik ging naar mijn ouders en ben de rest van de oorlogstijd bij hen gebleven. Papieren had ik niet, maar die kreeg ik wel. Burgemeester Van Heesen kwam ze persoonlijk bij mijn ouders afgeven. Weet je wat hij zei: “Van de Wulp, deze papieren en bonkaarten zijn voor je zoon Aart die in Italië is. U moet ze maar naar hem in Italië opsturen.” Hij wist via zijn zoon, die bij de ondergrondse was natuurlijk, hoe het met me zat. Nu ik papieren had, kon ik bonkaarten krijgen.

Ik had geen werk, dus ik ging vaak wat kletsen op de Heul met anderen die daar ook stonden. Op een dag stond ik daar en zag uit het huis van Haima de Vries aan de Noord Voorstraat twee jonge Duitse soldaten komen samen met Anton Overhoff. Anton Overhoff was het hoofd van de ’s-Gravendeelse ondergrondse. Hij was dus gearresteerd. Die drie vertrokken op de fiets, Anton tussen de twee Duitsers in. Ik ben hen gevolgd, samen met drie anderen: Piet de Zeeuw, een marinier, en Teun van Prooijen en nog een derde, ik weet niet meer wie dat was. Die Duitsers waren sulletjes, want ze deden niks, hoewel wij ze dan eens inhaalden over het fietspad, dan weer er voor gingen rijden, dan weer erachter. Anton maakte ons duidelijk dat we niks moesten doen. We bleven wel volgen. We hoorden dat de ‘Snellen”, dat waren de gebroeders Snel uit Puttershoek, er ook aankwamen. Zij zouden wapens meenemen. Anton werd een poosje, niet lang hoor, in een wachtlokaal in Maasdam gezet, maar daarna gingen ze verder naar Oud-Beijerland. De broers Snel kwamen erbij en samen bleven we achter Anton en zijn twee gevangenbewaarders rijden. Ze kwamen op de Oostdijk in Oud-Beijerland. Ik zie het nog gebeuren. Anton neemt een harde trap, stoot tegen het achterwiel van de Duitser voor hem op en beiden vallen. Anton krabbelt overeind en rent de dijk af, tussen de huizen daar door. Verder kon ik niks meer zien. Wel zag ik dat een van de Duitsers zijn pistool trok en schoot. Hij raakte een meisje dat daar speelde dodelijk. Ik bedacht dat straks heel Oud-Beijerland zou worden afgezet. Ik moest zorgen dat ik weg kwam. Ik fietste daarom terug naar ‘s-Gravendeel. Alleen. Waar de anderen bleven, dat weet ik niet meer. Ze zullen ook wel, ieder voor zich, naar ‘s-Gravendeel terug zijn gefietst. Achteraf heb ik gehoord dat Anton weer de dijk omhoog is gegaan en een bakkerij binnengegaan, dat hij zich uit de voeten heeft kunnen maken, maar op dat moment wilde ik alleen maar naar ‘s-Gravendeel terug. De volgende dag kreeg ik bezoek van enkele mensen van de ondergrondse. Of ik niemand wilde vertellen wat ik had gezien en of ik lid wilde worden van de BS. Dat wilde ik wel. We werden getraind in verschillende schuren. Ik herinner me nog de blikken schuur van Jan Visser aan de Molendijk. Later werd die van Barth. Daar hebben we niet leren schieten, want we hadden nauwelijks wapens. We deden wat aan exerceren, marcheren en gymnastiek. Het was gezellig zo onderling. Wat we verder bij de BS deden? Ik niet veel hoor.

Weet je het van die koe? De jongens van de ondergrondse hadden een koe bij een NSB-boer in beslag genomen, zeg maar gewoon gepikt. Die koe hebben ze in het huis van Jos van Zanten in het Schenkeltje geslacht. Teun van Prooijen was slager, dus die kon dat wel. We brachten allemaal vlees mee naar ons huis. Je moet denken dat dat een welkome aanvulling was in die winter van 1944/45. Mijn schoonvader hield ieder jaar twee varkens, één daarvan verkocht hij en de ander werd voor eigen gebruik geslacht. Aan voedsel voor de varkens was in de beginjaren van de oorlog nog wel te komen, er was meel genoeg te krijgen, eventueel aardappelen, die door mijn schoonmoeder eerst gekookt moesten worden. In Klaaswaal werd door de CCD opgetekend dat er een varken werd geslacht en daarna kregen mijn schoonouders minder vleesbonnen. Een controleur kwam altijd kijken of het opgegeven gewicht klopte met het gewicht van het varken dat geslacht was. Maar aan het eind van de oorlog was het moeilijker aan voedsel voor de varkens te komen, en daarom hadden mijn schoonouders geen varken meer. Natuurlijk was er nog wel ingemaakt varkensvlees van de novemberslacht van 1944. We vertelden natuurlijk niet waar het rundvlees vandaan kwam en de NSB-boer zei

Begrafenis Jaap van Breda, 6 mei 1945

Begrafenis Jaap van Breda, 6 mei 1945

ook niks, dus was het een ongestrafte daad. In de oorlog hebben wij nooit honger geleden. Wij hoefden niet twee keer per dag aardappelen te eten, zoals anderen, er was tarwe, dat was geruild voor aardappelen, er werd vaak loon in natura uitbetaald, en dat waren aardappelen. Mijn schoonvader had een groentetuin, dus was er ook groente. Peter Pot heeft me een stapel foto’s gebracht van de begrafenis van Jacob van Breda. Hij vroeg of ik de namen wist van de mannen die er op stonden. De dragers waren afkomstig uit Mijnsheerenland, dus hun namen ken ik niet. Van het vuurpeloton ken ik wel de namen, dat waren mensen van onze groep.Toon den Hartog en Anco Schuuring waren tamboer. We zijn nog een keer, na de oorlog, met een boot naar Rotterdam gevaren. Alle leden van de ondergrondse van de Hoeksche Waard waren in de boot. Ik meen dat we naar Rotterdam gingen naar een soort defilé. De boot was van een beurtschipper uit Puttershoek, meen ik.

utrecht-hojel-kazerne

Begrafenis Jaap van Breda, 6 mei 1945

Begrafenis Jaap van Breda, 6 mei 1945

1 Comment

Add a Comment
  1. Bijzonder dat u een foto hebt geplaatst van de begrafenis van mijn oom. Hij was 18 jaar toen hij werd doodgeschoten.mijn ouders staan rechts op de foto. hij was een broer van mijn moeder.zij heeft hem de rest van haar leven erg gemist. Ik ben een jaar later geboren en naar hem vernoemd.Mijn dochter kwam toevallig op dit verhaal. de wereld is klein. Als u meer wilt weten hoor ik het wel. met vriendelijke groet,Jaap Tinholt

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *

WO2 Hoeksche Waard © 2014

Door de site te te blijven gebruiken, gaat u akkoord met het gebruik van cookies. meer informatie

De cookie-instellingen op deze website zijn ingesteld op 'toestaan cookies "om u de beste surfervaring mogelijk. Als u doorgaat met deze website te gebruiken zonder het wijzigen van uw cookie-instellingen of u klikt op "Accepteren" hieronder dan bent u akkoord met deze instellingen.

Sluiten