web analytics

Door de site te te blijven gebruiken, gaat u akkoord met het gebruik van cookies. meer informatie

De cookie-instellingen op deze website zijn ingesteld op 'toestaan cookies "om u de beste surfervaring mogelijk. Als u doorgaat met deze website te gebruiken zonder het wijzigen van uw cookie-instellingen of u klikt op "Accepteren" hieronder dan bent u akkoord met deze instellingen.

Sluiten

1944 – Vijand in doodsnood werd ook gered – WO2 Hoeksche Waard
WO2 Hoeksche Waard

1944 – Vijand in doodsnood werd ook gered

Het is bij weinig mensen bekend: het ongeluk met de veerpont bij Goidschalxoord in de Tweede Wereldoorlog. Alex van der Woel uit Goidschalxoord, vertelt exclusief voor Het Kompas het bijzondere oorlogsverhaal van zijn vader, veerman Aart van der Woel. De veerlui van het veer Goidschalxoord-Rhoon hadden het meer dan eens tegen elkaar gezegd: ‘Dit gaat een keer goed fout’. Het ging om het oversteken van de Oude Maas door een peloton Wehrmacht-soldaten op een geïmproviseerd vlot. Het vlot bestond uit twee rietaken die met planken van een dek waren voorzien, waar de manschappen staande op overvoeren. En inderdaad op 26 september 1944, het was een stormachtige septembermaand, gebeurde hot onvermijdelijke. Op die dag waren twee van de vier veermannen op het veer om passagiers, met of zonder fiets, in twee roeiboten de rivier over te zetten. De veerpont hadden zij al vanaf de meidagen van ’40 moeten missen, toen die door Nederlandse troepen uit tactische overwegingen tot zinken was gebracht. Met de motorvlet, waarmee voor de oorlog de pont gesleept werd, nadat die eerder aan een kabel door de veerlui zelf de rivier werd overgetrokken, kon in het laatste oorlogsjaar bij gebrek aan brandstof ook niet meer worden gevaren. Over de avond voor de 26ste lezen we bij Dr. L. de Jong: ‘De regen stroomde neer en er stond veel wind. Wind en golven weerhielden de Duitsers er echter niet van om met een man of vijfentwintig op het vlot plaats te nemen om zich met de stroom mee naar de Rhoonse kant van het veer te laten drijven. De overtocht met het vlot was ongetwijfeld bedoeld als oefening om bij een veranderde oorlogssituatie groepen soldaten zo snel mogelijk de rivier te laten oversteken. Ergens op de ruim 300 meter brede rivier, niet ver van de aanlegsteigers van het veer, ging het mis. Het vlot werd door golven en wind uit elkaar geslagen en van de manschappen, die in paniek waren geraakt, belandden de meesten in het onstuimige water. Door de zware uitrusting was zwemmen, als ze die kunst al beheersten, bijna ondoenlijk. De veerlui die zich elk op een andere oever bevonden sprongen in hun roeiboot en zetten koers naar de plek des onheils, ja echt: om te redden wie ze redden konden. Dirk van der Hoeven die aan de Rhoonse kant het dichtst bij was wist elf man aan boord te hijsen. Aart van der Woel redde er zes. Hij vertelde later met spijt in het begin een man gepasseerd te zijn, van wie hij dacht dat die de kant wel zwemmende zou halen, maar die toch voor zijn ogen verdronk. Het was de enige niet, uiteindelijk hebben tien man het niet overleefd. De verdronken Duitsers spoelden na een paar weken rechtop, als het ware in het water staande, op allerlei plekken aan. De zeventien geredde drenkelingen werden in hun natte plunje in de naburige boerderij van de weduwe De Ronde ondergebracht. In ondergoed werd voorzien door dat spul bij die en gene, waar volwassen mannen in huis waren, te vorderen. Onder andere bij Bas Preesman aan de Westdijk, waar wel vier of vijf mannen onder hetzelfde dak woonden, afgezien van de ingekwartierde Duitsers. Of ze de kleren ook teruggekregen hebben, vertelt het verhaal niet. Op de dorsvloer van de boerderij, werd een met takken afgeschermd mortuarium ingericht. Daar stonden de lijkkisten waarin de aangespoelde lichamen werden gelegd. Twee mannen waren aanvankelijk levend uit het water gehaald, maar ten gevolge van hun bijna-verdrinking toch bezweken. De tien slachtoffers werden op de Algemene Begraafplaats te Oud-Beijerland begraven. Voor het zover was had de commandant van de eenheid de twee redders gehuldigd. Die hadden het niet opportuun gevonden voor de eer te bedanken, zeker achteraf niet, daar elk met een in die tijd schaarse (en zeer welkome) fles jenever naar huis ging. Was het als goed-vaderlander wel juist om leden van de vijandelijke krijgsmacht het leven te redden? Na de oorlog, in de tijd van strikte opvattingen over ‘goed’ en ‘fout’, was mijn vader er waarschijnlijk niet meer zo zeker van dat wat hij gedaan had goed was geweest. Welnu, hij had ook niet anders gekund, want, zo vertelde hij, een ‘hoge’ had hem op het veer onder dreiging met een pistool gecommandeerd de mannen te gaan redden. Het kan waar zijn – er waren namelijk veel Duitsers in Goidschalxoord ingekwartierd, ook officieren – maar zonder die dreiging had hij het zeker ook gedaan. Die andere veerman, net zo min ‘Deutschfreundlich’ als mijn vader, had ook geen gewapende aansporing nodig gehad om die mensen in doodsnood te gaan redden. Bovendien moet bedacht worden dat door de omgang die onwillekeurig ontstond met de bijna in ieder huis (ook bij ons) ingekwartierde soldaten, de ‘vijand’ meer en meer menselijke trekken had gekregen. Inkwartieringen werden, toen de Hoeksehe Waard (weer) frontgebied was geworden, de bewoners van boerderijen en woonhuizen opgelegd.’

Bron: Kompas 15 mei 2015

Alex van der Woel bij de plek waar het veer aanlegde bij Goidschalxoord. Op de fotoinzet (Jaren ’90) is zijn vader als achterste man aan het werk op de veerpont. Vooraan staat Dirk van der Hoeven. ‘Ik heb de namen van de tien omgekomen Duitsers doorgekregen van het Oorlogsarchief van het Nederlandse Rode Kruis. Ze waren begraven in Oud-Beijerland en zijn herbegraven op het Duits Militair Kerkhof te Ysselsteyn (Limburg). De twee jongsten waren 17 en 19. Foto: Conno Bochoven.