WO2 Hoeksche Waard

Een website over WO2 in de Hoeksche Waard

1943-1945 – Het verhaal van Dirk Mol uit ‘s-Gravendeel

Facebooktwittergoogle_plus

Dirk Mol uit ’s-Gravendeel was 15 jaar oud toen de oorlog uitbrak. Hij werkte op dat moment al twee jaar op de vlasserij van Mol aan de Molendijk. In mei 1943 kreeg bij een oproep om zich te laten keuren voor de arbeidsinzet in Duitsland. De keuring bij het Hof in Dordrecht duurde precies vijf minuten, naar binnen komen en naar buiten gaan meegerekend. Hij werd goedgekeurd en kreeg al spoedig daarna een oproep om naar Duitsland te gaan. Voor hem was er geen mogelijkheid om onder de oproep uit te komen, zoals zonen van vlassers en boeren, die vanwege ‘onmisbaarheid in een belangrijk bedrijf’ een ausweis kregen. Op 22 juni 1943 vertrok hij als 18-jarige vanaf het station Dordrecht, nagewuifd door zijn vriendin.

Vliegtuigfabriek Dornier

Met hem reisde een groot aantal Nederlandse jongemannen, die evenals hij in Duitsland te werk gesteld zouden worden. Hun bestemming was Kiel. De eerste nacht verbleven de “gastarbeiders” in een kamp in Neumünster. In de morgen moesten ze aantreden voor een aantal hoge Duitsers, die de bestemming van velen wijzigden. Een aantal arbeiders moest inderdaad naar Kiel, anderen moesten naar Flensburg. Dirk moest met een groep van ongeveer 100 mannen naar Lübeck. Een trein bracht de mannen naar de plaats van bestemming. Op het station van Lübeck stonden enkele mensen van het arbeidsbureau, die de groep Nederlanders begonnen te selecteren voor drie verschillende fabrieken. Dirk kwam niet in de machinefabriek op de scheepswerf of in de wapenfabriek, maar werd ingedeeld bij de werkkrachten voor de vliegtuigfabriek Dornier (Norddeutsche Dornier-Werke GmbH). In die fabriek werden aanvankelijk watervliegtuigen gebouwd. Gedurende de oorlog was de fabriek aangepast, nu werden er vleugels voor Focke-Wulf-bommenwerpers gemaakt. De nieuwe arbeiders werden in het productieproces ingeschakeld. Ruim twee maanden later, op 5 september 1943, moest al het buitenlands personeel vertrekken; de fabriek zou weer worden omgebouwd.

Naar Zwickau in Saksen

De gastarbeiders kregen verschillende bestemmingen, overal in Duitsland. Dirk Mol ging met een groep naar Zwickau in Saksen, ongeveer 80 km ten zuiden van Leipzig. De reis (per trein) duurde 4 dagen, ’s nachts werden de wagons afgekoppeld op een rangeerterrein en werd de locomotief voor andere taken ingezet. De andere dag werd de locomotief weer aangekoppeld en ging de reis verder. Als er geallieerde vliegtuigen in de lucht waren, zocht de bestuurder een goede beschutting in de bossen tegen beschieting. Tenslotte werd de bestemming bereikt. De mannen werden te werk gesteld op een klein vliegveld, waar al vele arbeiders uit andere landen, waaronder veel krijgsgevangenen, werkten. De Nederlandse arbeiders werden temidden van de vele nationaliteiten ingezet bij de reparatie van vliegtuigen (voor het bedrijf Flugzeugreparaturwerk Gustav Basser), die aan het front waren geweest en gehavend terug waren gekomen. De mitrailleurs moesten goed afgesteld worden, zodat de propellers niet geraakt zouden worden door eigen vuur. Bij dat afstellen waren vele Russische monteurs betrokken. Er ging nog al eens iets fout, dan werd de propeller er finaal afgeschoten. Omdat Dirk geen monteur was en geen specialist, werd hij grondwerker: hij moest de vliegtuigen naar de plaats van bestemming duwen en de toestellen afdekken. Hij was de enige Hollander temidden van een groep Italiaanse krijgsgevangenen, die na de capitulatie van een Italiaanse maarschalk naar Duitsland waren gevoerd. Het werd koud die winter. Op een gegeven moment stond er wel een halve meter sneeuw. Iedere dag werken in de kou, en zorgen dat de sneeuw wordt weggeveegd, vraagt veel van iemands conditie.

Naar het ziekenhuis

Dirk vatte kou. Een niet goed behandelde kou wordt steeds erger en op een gegeven moment was hij zo ziek, dat hij per ambulance naar het Zwickauer ziekenhuis moest worden gebracht om daar voor longontsteking behandeld te worden. Hij kwam niet in het echte ziekenhuis terecht, dat was alleen voor “Volksdeutsche”, maar in een barak, die bij het ziekenhuis behoorde en die bestemd was voor buitenlandse zieken. Dirk was te ziek om te eten. De arts, een Rus, waarschuwde hem, dat als hij niet zou eten, hij dood zou gaan, daarom probeerde hij zo goed en zo kwaad als het ging iets naar binnen te krijgen. Dat was zijn redding, hij werd geleidelijk aan steeds beter. En tenslotte werd hij uit het ziekenhuis ontslagen. Zijn kleding, die aan de ambulance was meegegeven, werd gehaald en Dirk kon eindelijk voor het eerst weer zijn eigen kleren aantrekken. Alles was er nog: zijn ondergoed, sokken, bovenkleren. Maar waar waren zijn schoenen gebleven? Die bleken gestolen te zijn. Hoe moest hij nu naar het vliegveld terug: op zijn sokken? Een Rus zei dat hij wat voor hem zou zoeken. Na enige tijd kwam de Rus naar hem toe met een paar schoenen die hij mocht houden. Maar, wat een probleem, de schoenen waren veel te klein: ze hadden maat 40 en Dirk had maat 43. De Rus haalde blijmoedig een mes en sneed pardoes de neuzen van de schoenen. Zie zo, de schoenen pasten en Dirk kon vertrekken. De sneeuw lag nog even hoog in de straten, Dirk liep naar de tramhalte, reisde per tram tot een 2½ km van het vliegveld en moest vandaar verder lopen door de hoge sneeuw. Hij raakte door en door verkleumd. Toen hij tenslotte de deur van de barak opendeed en de temperatuur daar hem tegemoet kwam, werd hij door de warmte bevangen en zakte in elkaar.

Weer aan het werk, terug naar Lübeck

De volgende dag moest hij weer aantreden voor zijn werk. De commandant (één van de weinige goede Duitsers die Dirk ooit heeft gekend) zag hem staan met zijn kapotte schoenen en zei dat hij terug moest naar de barak en daar wachten tot hij laarzen had. Het duurde drie weken voor er laarzen voor hem kwamen. In die drie weken kreeg hij de mogelijkheid weer wat aan te sterken. Daarna kon hij het werk in de koude weer aan. In februari 1944 moest Dirk weer terug naar Lübeck. Dit maal moest hij niet in de vliegtuigfabriek werken, inmiddels omgebouwd tot een fabriek voor bommenwerpers, maar werd hij tewerkgesteld bij de aannemer die vlak bij de fabriek een schuilkelder moest bouwen. Steeds als er bombardementsvliegtuigen over Lübeck kwamen, ging de sirene en vluchtte iedereen de schuilkelder in. Sinds een groot bombardement in 1942 waren bombardementen niet meer voorgekomen in het stadje. Dit omdat Lübeck een Rode Kruisstad was geworden. In de haven lagen Zweedse schepen, waarop grote rode kruisen waren geschilderd, voor het diplomatiek verkeer. De Zweden onderhandelden daar met Himmler o.a. over het vrijkopen van joden. Via het Rode Kruis kwamen er Rode Kruispakketten binnen. Die waren nooit voor Dirk, maar voor de krijgsgevangenen. Hij kreeg af en toe zelf wel een pakket,  maar dat was hem steeds door zijn familie uit Nederland toegezonden. Een kameraad zorgde voor een distributiebon voor een paar schoenen, en zo kon Dirk eindelijk zijn neusloze schoenen afdanken.

Verlofregeling

Er was een verlofregeling ingesteld: voor hen die getrouwd waren gold de regel dat zij ieder half jaar met verlof naar Nederland mochten. Voor ongehuwden werd zo vaak verlof niet nodig geacht, die mochten één keer per jaar met verlof. Nu was het zo, dat de verlofgangers meestal niet meer terug kwamen: op de 10 verlofgangers kwamen er slechts 2 terug. Daarom besloten de Duitsers alleen verlof te geven aan hen die keurig hadden gewacht op de terugkeer van hun maat. Een maat van Dirk mocht eerst met verlof en als hij terug was zou Dirk aan de beurt zijn. Dirk zei: “Voor mij hoef je niet terug te komen.” De man kwam dan ook niet terug, met het gevolg dat Dirk geen verlof kreeg.

Naar strafkamp Schlutup

In de zomer van 1944 kwam er in Lübeck een nieuwe uitvoerder. De man was duidelijk gestoord, dus was het moeilijk onder hem te werken. Op een zondagavond kwam er een nieuwe groep Nederlanders aan, het waren Rotterdammers die bij een razzia waren opgepikt. Dirk maakte een praatje met hen en een van die jongens leende zijn jas. Toen Dirk wat later weer terug kwam in de barak vroeg de uitvoerder waar hij was geweest. Dirk vertelde van de Rotterdammers, maar de man weigerde hem te geloven en liet hem ‘einsperren’. Op de dinsdagmorgen daarna werd hij voor de Gestapo gebracht. Toen hoorde hij wat hem ten laste was gelegd: hij zou benzine en andere zaken hebben gestolen. Ontkennen hielp niet. Hij werd veroordeeld tot het strafkamp Schlutup. Voor hoe lang hoorde hij niet. Het strafkamp lag 10 km van Lübeck vandaan. De gevangenen van Schlutup werden met 40 tot 50 man in een ruimte ondergebracht, waar één emmer diende om in te wateren, en die dus al gauw overliep. Iedere morgen was er om 5 uur appel. Om 6 uur kregen de gevangenen een boterham met bruin uitziend water, dat misschien wel door moest gaan voor koffie, daarna moesten ze gaan werken. Het werk bestond uit het lossen en laden van spoorwagons, werken bij een boer op het land, en andere werkzaamheden. Om het werken echt een straf te laten zijn moesten ongeveer 100 man bij een boer met hun handen aardappelen uit de grond halen. Ook andere nutteloze karweitjes werden opgedragen. Zo gebeurde het dat de mannen opdracht kregen een berg zand met een kruiwagen te verplaatsen naar een locatie 100 meter verderop. De volgende dag kregen ze opdracht het zand weer terug te brengen naar de oorspronkelijke plaats. Tussen de middag kregen de gevangenen een liter koolsoep, ’s Avonds kregen ze een hap zuurkool met drie in de schil gekookte aardappelen. Op een keer pakte een Poolse gevangene van een hoop die langs de weg lag een Arabische knol. De Duitser die het zag nam hem apart, haalde er twee bewakers bij en samen sloegen ze de Pool met hun geweren dood. Iedere dag was er een appel waarop de namen werden afgelezen van hen wiens straf voldaan was. Omdat Dirk niet wist hoe lang zijn straf zou duren, wachtte hij iedere dag weer vol verlangen op het moment dat zijn naam zou worden genoemd. Dat gebeurde na drie weken. Hij was vrij om te gaan. Hij was in die drie weken 17 pond afgevallen. Hij moest zich afmelden en kreeg keurig al zijn eigendommen terug.

Terug naar Lübeck

Toen moest hij op eigen gelegenheid terug zien te komen naar Lübeck. Gelukkig had hij zelf nog wat kleingeld, waarmee hij de tram kon nemen. In Lübeck werd hij weer ingeschakeld in het arbeidsproces: het in orde maken van de schuilkelder. Gelukkig kwam er al spoedig een andere uitvoerder, want de klachten over de vorige waren legio. De nieuwe uitvoerder sprak Nederlands. Dirk werd aangesteld bij de brandweer. Er kwamen steeds vaker grote groepen geallieerde vliegtuigen overvliegen op weg naar het nabijgelegen Hamburg. Steeds vaker werd het nodig geacht de schuilkelder op te zoeken. Als er bombardementsvliegtuigen overvlogen werd de sirene van het alarm in werking gesteld. Op een keer, toen Dirk net geen brandweerdienst had, ging de sirene. Hij ging meteen naar de schuilkelder en na hem kwamen nog vele anderen. Toen volgde vrijwel direct een zo hevig bombardement, dat de muren van de bunker als een schip heen en weer gingen. Behalve het heen en weer slingeren van de behuizing, voelde Dirk ook zijn gevoelens heen en weer slingeren. Het ene moment voelde hij zich doodsbenauwd, het andere moment onverschillig. Als hij dan dood moest, dan moest dat maar. Het bombardement duurde maar en duurde maar. De laatste bom die viel kwam terecht op een barak van Poolse vrouwen. Die vrouwen hadden de bunker niet op tijd kunnen bereiken, omdat de sirene vrij laat was beginnen te loeien. Toen het veilig-signaal werd gegeven zagen de overlevenden de ravage die het bombardement had teweeggebracht.

Luguber werk

Dirk kreeg opdracht om samen met anderen het puin te ruimen. Het was een luguber werk: op de plaats waar de barak van de Poolse vrouwen had gestaan lagen afgerukte armen en benen, overal kapotte lichamen. Hij kon er niet tegen. Hij verliet met enige anderen het terrein om het later weer te betreden. Toen hadden de Duitsers een leuk werkje voor deze ‘gastarbeiders’. Ze moesten in een lange rij, met de armen om elkaar heen, over een stuk terrein heen en weer lopen. En goed stampen, om zo er voor te zorgen dat eventuele blindgangers alsnog zouden ontploffen. Ze hebben het gelukkig overleefd. De fabriek lag helemaal in puin. Enkele muren stonden nog overeind, kasten stonden er nog op slot.

Voedselsituatie

De voedselsituatie werd met de dag slechter. Om toch te zorgen dat er nog wat eten kwam, ruilden de arbeiders wat gereedschap uit de kasten van de fabriek voor voedsel. Dirk had vrij licht werk: hij moest houten balken in stukken zagen met een elektrische zaag. Die stukken werden gebruikt als brandhout voor de kachel. Als hij de blokken met een kar afleverde bij diverse mensen (zoals de opzichter) thuis, dan zorgde hij er voor tegen etenstijd te komen, omdat hij dan vaak nog wat voedsel van de vrouw des huizes kreeg. Op een gegeven moment zei een maat iets negatiefs over Hitler. De Duitser die het bevel had, wilde naar de Gestapo gaan om dit te rapporteren. Dirk pakte een stuk ijzer en bedreigde de Duitser er mee: “Als je naar de Gestapo gaat, dan sla ik je hiermee je hersens in”. Een communist, die er ook werkte, viel hem bij en de Duitser beloofde niets te vertellen. In die tijd was er veelvuldig alarm: ’s nachts vlogen Engelse vliegtuigen over op weg naar Berlijn of Hamburg en dan kwam er niets van slapen. De hele nacht werd doorgebracht in de bunker, soms tot 4 uur, andere nachten tot 6 uur. De tijd werd dan gedood met kaarten. Iedere nacht kwamen de vliegtuigen over, een hele week lang. Iedereen probeerde daarna overdag wat slaap in te halen. De andere week kwamen de vliegtuigen overdag, dan waren het Amerikaanse toestellen, dan verbleef iedereen overdag in de bunker. In die dagen was het tenminste mogelijk ’s nachts nog wat te slapen.

Bevrijding

Tenslotte kwam de bevrijding steeds dichterbij. Er waren geruchten dat Lübeck door de Russen zou worden bevrijd. Op 2 mei 1945 merkte Dirk dat zijn nieuwe schoenen waren gestolen. Hij had alleen nog maar zijn rubberen laarzen om aan te trekken. Ook wat ondergoed miste hij, maar dat was minder erg. De dag daarop, op 3 mei, kwamen de Engelsen de gevangenen bevrijden. De Hollanders hoorden echter dat de Britten van plan waren de volgende dag het stadje weer te verlaten om plaats te maken voor de Russen die al in de buurt waren. Een aantal Nederlanders, waaronder Dirk Mol, wilde dat niet afwachten. Zij pikten een vrachtauto met aanhangwagen en vertrokken vroeg in de morgen van de 4e mei met die auto volgeladen met Nederlanders naar het westen. Ze reden tot de avond. Toen zochten ze een slaapplaats op en vonden die in een varkenshok van een boerderij tussen Hamburg en Bremen. Op 5 mei gingen ze weer verder. Ze stuitten bij een viaduct op een Engelse soldaat die hen niet wilde laten passeren. Ze gingen daarom op zoek naar een volgend viaduct, maar ook daar mochten ze niet overheen. Ze gingen dan maar weer terug, in de hoop dat het eerste viaduct nu begaanbaar zou zijn. Daar aangekomen, zag het er naar uit dat ze nog geen toestemming zouden krijgen. De Britten die de wacht hielden bij het viaduct kwamen nu echter tot de ontdekking dat de inzittenden van de vrachtwagen allemaal Nederlanders waren. En Nederland was net bevrijd! Daarom ging een Engelse jeep de vrachtwagen voor en leidde die naar een kamp in Rheine. Daar zouden de mannen een paar dagen moeten blijven. ’s Nachts gingen ze met zeven Franse vrachtwagens op weg naar de Nederlandse grens. Niemand had een landkaart en de groep verdwaalde. Tenslotte kwamen ze in Bocholt terecht, waar ze voor enkele nachten in een machinefabriek werden ondergebracht. Ze sliepen op wat werkbanken.

Terug in Nederland

Daarna werden alle Hollanders ingeladen in vrachtwagens en werden ze gebracht naar een tentenkamp bij het Duitse Kevelaer, vlak bij de Nederlandse grens, waar ze een nacht verbleven. De volgende dag, het was de woensdag voor hemelvaartsdag, werden ze naar Eindhoven gereden. Ze werden ondergebracht in een school, waar voor de ingang twee marechaussees de wacht hielden. Ze moesten daar wachten op een medische keuring, want als ze met een besmettelijke ziekte terug zouden komen in het ondervoede westen, zou het leed niet te overzien zijn. De keuring zou pas op de vrijdag na hemelvaartsdag plaatsvinden en intussen mocht niemand de school verlaten. Er stond een schuur op het schoolcomplex, waar aan de andere kant een man bezig was een boom te snoeien. Om bij de hoge takken te komen had hij een laddertje bij zich. Dirk en zijn kameraden vroegen de man zijn laddertje over de muur te laten en de man deed dat, als ze beloofden het voorwerp weer terug te bezorgen. Zo verliet een aantal Nederlandse ex-dwangarbeiders het bewaakte schoolcomplex en ging Eindhoven in. In die stad was een groot feest aan de gang. Zij mengden zich in het feestgewoel en hadden een heerlijke tijd. Ze wisten dat ze om 6 uur terug zouden moeten zijn, als ze tenminste van de poort gebruik wilden maken, want om die tijd zou de poort worden gesloten. Zouden ze later terug komen, dan zouden ze weer met het laddertje over de muur moeten klimmen. De twee marechaussees die bij de ingang de wacht hielden, vroegen waar ze vandaan kwamen; ze konden begrip opbrengen voor hun verlangens en lieten hen binnen. Op vrijdag vond de keuring plaats. Dirk werd goedgekeurd en zou nu dus terug kunnen gaan naar ‘s-Gravendeel. Maar nee, dat mocht niet, want ‘s-Gravendeel hoorde bij Zuid-Holland en de provincies Noord-, Zuid-Holland en Utrecht hadden zoveel te lijden gehad van de oorlog, dat de voedselsituatie nog niet van dien aard was, dat er nog meer eters bij zouden kunnen. Als Dirk in een andere provincie familie had, kon hij daar naar toe, maar Zuid-Holland was voorlopig nog niet bereikbaar voor hem. Helaas, familie elders in Nederland had hij niet. Dan moest er een andere oplossing gezocht worden. Hij werd, samen met een aantal lotgenoten, met een vrachtwagen naar Mierlo gebracht. Daar werden gastgezinnen gezocht en gevonden voor deze ex-dwangarbeiders. De gastgezinnen zouden twee gulden per dag kostgeld ontvangen per gast; deze moest dat geld eerst zelf op het gemeentehuis van Mierlo ophalen. Dirk kwam samen met een Hagenaar bij een gezin in Mierlo-Hout terecht. Ze bleven daar zes weken. Inmiddels had hij nog geen enkel bericht van zijn familie ontvangen sinds september 1944. Zijn gastheer was een vrachtrijder en beloofde in Rotterdam een brief aan zijn familie te posten. Twee weken later kreeg hij voor het eerst bericht van zijn familie en van zijn vriendin.

Terug naar huis

Op een gegeven moment kwam het bericht dat het westen van Nederland weer bezocht mocht worden. De mannen konden vertrekken. Ze werden naar het station van Geldrop gebracht en vertrokken vandaar per trein. Die nacht bivakkeerden ze in het concentratiekamp Amersfoort, waar op dat moment NSB-ers en zwarthandelaren geïnterneerd waren. Die verbleven aan een andere kant van het kamp dan zij. De dag daarop gingen de westerlingen per trein verder naar Rotterdam. Ze stapten uit op de Beurs. De drie jongens uit de buurt: Henk Tuk en Dirk Mol uit ‘s-Gravendeel en Jan Stam uit Wieldrecht zochten vervoer naar hun woonplaats. Overal zagen ze bordjes waarop bestemmingen stonden. Bij een vrachtwagen stond ‘Hoeksche Waard’. Ze gingen er op af en hoorden dat de anderen die met deze vrachtwagen mee zouden gaan allemaal naar plaatsen in het westen van de Hoeksche Waard op weg waren. De reis zou dan behoorlijk lang duren voor hen die naar het oosten van de Hoeksche Waard zouden willen. Ze konden beter kijken naar een wagen die op weg was naar Dordrecht. Die vonden ze: er was een vrachtrijder die zei dat hij tot aan het station van Dordrecht zou rijden. Met hem gingen ze mee, vanaf het station gingen ze lopend verder. Dirk was van plan eerst naar ‘s-Gravendeel te gaan om daar schone kleren aan te trekken en dan met zijn eigen fiets naar de Tweede Tol te rijden waar zijn meisje woonde. Bij de bakker op de Reeweg zag en sprak hij de broer van zijn meisje, dus die wist als eerste dat hij terug was. Dirk ging met Tuk door naar het veer. Zij wilden de veerpont op gaan, maar dat werd hun geweigerd omdat ze geen ‘ausweis’ konden tonen. Ze mochten dus niet mee. Dirk was woedend. Maar het hielp niet, hij mocht de pont niet op. Gelukkig nam de heer Roos het voor hem op en zorgde er voor dat hij toch mee kon. Zo kwam hij thuis. Daar bleken geen kleren meer voor hem te zijn. Ook een fiets bleek hij niet meer te hebben. Maar men kan zich behelpen. Hij was ruim twee jaar weggeweest. Het was weer even wennen.

Het verhaal van Dirk Mol werd opgetekend door Will van Velsen-Griffioen.

1 Comment

Add a Comment
  1. BEste Dirk Mol, Of Will van Velsen Griffioen
    Zijn er namen bekend bij u van mensen die in de vrachtwagen mee terug zijn gekomen ?
    Of met Dirk in het kamp hebben gezeten.
    Ik probeer het verleden van mijn opa (Gerrit Linker/ Geert Turksma) te reconstrueren.
    En van horen zeggen heeft hij in kiel en Lubeck gezeten.
    Wellicht kunt u mij helpen ?

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

WO2 Hoeksche Waard © 2014

Door de site te te blijven gebruiken, gaat u akkoord met het gebruik van cookies. meer informatie

De cookie-instellingen op deze website zijn ingesteld op 'toestaan cookies "om u de beste surfervaring mogelijk. Als u doorgaat met deze website te gebruiken zonder het wijzigen van uw cookie-instellingen of u klikt op "Accepteren" hieronder dan bent u akkoord met deze instellingen.

Sluiten