web analytics

Door de site te te blijven gebruiken, gaat u akkoord met het gebruik van cookies. meer informatie

De cookie-instellingen op deze website zijn ingesteld op 'toestaan cookies "om u de beste surfervaring mogelijk. Als u doorgaat met deze website te gebruiken zonder het wijzigen van uw cookie-instellingen of u klikt op "Accepteren" hieronder dan bent u akkoord met deze instellingen.

Sluiten

Luchtoorlog boven Hoeksche Waard – WO2 Hoeksche Waard
WO2 Hoeksche Waard

Luchtoorlog boven Hoeksche Waard

In de Dordtenaar van 3 mei 2003 verscheen het artikel ‘Luchtoorlog boven Hoeksche Waard’, van Henk Nootenboom (auteur van Op het laatste moment…).

Knipsel ‘Luchtoorlog boven Hoeksche Waard’- 2003

Tekst ‘Luchtoorlog boven Hoeksche Waard’ – 2003

Dit is de volledige tekst van bovenstaand artikel. Alleen de Engelse teksten en de foto bij Olson heb ik zelf toegevoegd (tussen de lijnen).

Niet minder dan 38 vliegtuigen vonden tijdens de Tweede Wereldoorlog in hun Waterloo in de Hoeksche Waard. In een aantal gevallen kwam alleen de bemanning op dit eiland terecht, omdat die het toestel noodgedwongen moest verlaten. Strijenaar Henk Nootenboom begon in 1990 een intensieve speurtocht naar de verhalen achter de vele crashes en noodlandingen. Hij zocht met succes naar overlevenden, correspondeerde met familieleden van omgekomen bemanningsleden, sprak met tientallen ooggetuigen en met mensen uit het verzet en verzamelde elke letter die over de luchtoorlog boven de Hoeksche Waard is geschreven. “Ik moest voor de historische vereniging in Strijen wat uitzoeken over een Spitfire die in Strijen was neergekomen. Van het een kwam het ander”. De passie voor vliegtuigen dateert uit zijn jeugd. “Mijn vader was kruidenier in Sas (Strijensas). Daar ben ik ook geboren en opgegroeid. Op een gegeven moment kreeg hij een folder met allemaal modelvliegtuigjes. Vanaf die tijd wilde ik alleen maar vliegtuigjes bouwen”. De kennis van de vliegtuigen kwam Nootenboom ook van pas bij zijn uit de hand gelopen onderzoek naar de verhalen over de luchtoorlog boven de Hoeksche Waard. Vorig jaar bracht Nootenboom het 126 pagina’s tellende historische document ‘Op het laatste moment…’ uit. Volgens Nootenboom het meest betrouwbare en het meest complete boekwerk over dit stukje oorlogsgeschiedenis. “Mijn boek is beslist geen verzameling cowboyverhalen. De verhalen zijn niet geromantiseerd. Ik heb me alleen gehouden aan de kille feiten. Soms verteld of opgeschreven door de hoofdpersonen zelf. De werkelijkheid blijkt bijna altijd al dramatisch genoeg”. Enkele voorbeelden.

Bob Bru

30 juli 1943. Navigator 2e Lt. Bob Bru maakt deel uit van de tienkoppige bemanning van de B17 bommenwerper ‘Yankee Dandy’. Hun missie, het bombarderen van de Fieseler vliegtuigfabriek ten zuiden van Kassel, lukt. Maar op de terugweg gaat het alsnog fout. Duitse jagers vallen de in formatie vliegende Amerikaanse bommenwerpers aan. Hij vijandelijk vuur doodt de staartschutter en ene van de zijluikschutters van de Yankee Dandy. De overige schutters raken allemaal ernstig gewond. De beide binnenste motoren begeven het en er breekt brand uit in de radioruimte. Ook de intercom werkt niet meer. De nog in leven zijnde bemanningsleden rest nog één optie: het vliegtuig uit. Bob Bru vertelt zijn verhaal: “Al vaak al vaak had ik me afgevraagd hoe ik zou reageren op een parachutesprong en nu kwam ik erachter; ik reageerde niet. Zodra ik vrij was van het vliegtuig vergat ik alles wat ik geleerd had. In plaats van eerst tot tien te tellen en een vertraagde sprong te maken, trok ik alles wat ik in me had aan het ripcord. Maar er gebeurde niets. De parachute ging niet open. Ik droeg een rugparachute en ik probeerde aan het pak te morrelen. Er gebeurde niks, dit moest mijn einde zijn. Ik zou dus op mijn 23e sterven. Cynisch genoeg vroeg ik me af hoe groot de vlek zou zijn die ik in het landschap zou maken. M’n stalen helm zat klem over mijn ogen, maar ik wilde zien hoever de grond nog was en ik begon aan de helm te duwen en te trekken. Toen…..wham! Ik kreeg een geweldige klap tegen m’n mond. De parachute had zich alsnog geopend. Doordat enkele lijnen tegen m’n gezicht sloegen, braken er twee tanden en m’n mondhoek bloedde flink. En zo zweefde ik naar beneden, lachend en bloed en stukken tand spuwend. Een flinke klap en ik had weer grond onder m’n voeten”.  Bob komt neer in het land van Essche bij Strijen. Hij verteld verder: “Ik was op een korenveld terecht gekomen. Op een paar meter afstand was een weg waarop een groep heftig door elkaar pratende Hollandse landarbeiders in mijn richting stond te kijken. En er kwamen nog steeds mensen bij. Ik ging staan, wees op de Air-Coprs badge op m’n leren jack en riep American. Dit werd beloond met geschreeuw en applaus. Vijf man hielpen me de sloot over naar de weg. Een oudere man meldde zich en leidde me naar een auto. “We halen water voor je gezicht”, zie hij. Maar toen ik in de auto stapte, werd ik klem gezet door een stevige vent die aan de andere kant was ingestapt. We reden naar het gemeentehuis, waar ik bewaakt werd. Twee uur later werd ik overgedragen aan de Duitsers”. De oudere man is volgens Bob de Strijense burgemeester Bolman. Volgens Henk Nootenboom is dat niet helemaal zeker, omdat die ouder man Bob heeft verteld dat hij enkele jaren in het zuiden van Amerika zou hebben doorgebracht. Nootenboom: “Bolman is zover bekend echter nooit in Amerika geweest. Bob heeft zich wel verzet tegen de aanhouding door een Nederlandse burgemeester. Hem is toen verteld dat de burgemeester en anderen zouden worden geëxecuteerd als ze hem niet aan de vijand zouden overdragen. De Duitsers brengen Bob Bru vanuit Strijen naar Rotterdam, waar hij wordt herenigd met enkele andere leden van de bemanning. Later komt hij in een krijgsgevangenkamp in Duitsland terecht waar hij de bevrijding meemaakt.

Merril Samuel Olson

Ineens duikt de Amerikaan Merril Samuel Olson op in Strijen. Niemand weet wie hij is en waar hij vandaan komt. Ook Henk Nootenboom komt op een gegeven moment zijn naam tegen. Na het nodige speurwerk haalt hij het volgende aangrijpende verhaal boven water. 11 september 1944. Amerikaan Merril Samuel Olson is eerste piloot van de Betty Jane, een B-24 Liberator en bezig aan zijn dertigste en laatste missie. Met meer dan duizend andere bommenwerpers lost Olson zijn last op onder meer Chemnitz, Maagdenburg en Hannover. De Duitse luchtafweer in het doelgebied raakt de Betty Jane. Doordat de propeller in de luchtstroom blijft meedraaien, merkt de bemanning eerst niet eens dat het vliegtuig is geraakt.

Pas boven het IJsselmeer verliest de Betty Jane hoogte. Boven de Zaanstreek springt de bemanning het vliegtuig uit. De Duitsers zijn getuige van deze actie, maar kunnen tot hun worden geen vlieger vinden. Leden van de Binnenlandse Strijdkrachten brengen de tien Amerikanen in veiligheid. Het merendeel van de bemanning meldt zich echter alsnog vrijwillig bij de Duitsers als bekend wordt dat die willekeurig een aantal mensen hebben geëxecuteerd. Drie bemanningsleden, onder wie Olson is dan al verdwenen uit de Zaanstreek.


Filmpje ‘pilot monumenten spreken – leeghwaterweg’

Over de gebeurtenissen in de Zaanstreek met de bommenwerper Betty Jane heeft de stichting Monumenten Spreken een mini-documentaire gemaakt.


Olson is door een zekere Jan per fiets naar Amsterdam gebracht. Eind ’44 wordt Brabant bevrijd. Vrijheid is nu slechts een rivierbreedte verwijderd en er zijn ineens mogelijkheden om bepaalde mensen, zoals geallieerde piloten die uit handen waren gebleven van de Duitsers, over te brengen naar bevrijd gebied. De meeste van die crossings vertrekken vanuit Sliedrecht en gaan door de Biesbosch, een gebied waar de Duitsers niet graag komen. Gezien het aantal mensen dat overgezet moest worden, komt het ook in de Hoeksche Waard tot twee crossings. Voor zo’n crossing komt Olson in de Hoeksche Waard terecht. Op een zondagmiddag vlak voor kerstmis 1944. Leden van het Dordtse verzet en Vos, de opzichter van de polder Groot Koninkrijk, zetten Olson met een bij Unilever gestolen roeiboot over de Dordtse Kil. Anton Overhoff van het ’s-Gravendeelse verzet vangt hem aan de ander kant op. Met nog een andere vlieger, de Canadees Ken Dugdale (Doug), brengt Overhoff Olson met een tankauto van Hollestein naar de boerderij van Traas in Oud-Beijerland. Daarna belandt het tweetal bij smid Gerrit van der Kuil in Piershil. Het is de bedoeling dat de twee vliegers met een rond de kerst geplande crossing naar het bevrijde Brabant worden gebracht. Olson vertelt: “In Piershil werd ons verteld dat we de volgende avond per boot naar bevrijd gebied zouden worden gebracht. Het plan was om stilletjes langs de Duitse wachtposten te varen en dan met opkomend tij langs het eiland Tiengemeten naar Willemstad te varen. Om twee uur ’s-nachts gingen we aan boord van een lekke roeiboot, het was vreselijk mistig, maximaal vijftien meter zicht. De schipper zei ons dat hij wist wat hij deed, maar zes uur later bleken we hopeloos verdwaald. Met behulp van mijn kompas kwamen we weer terug bij het vertrekpunt. We hoopten dat er nieuwe kansen zouden komen. We hadden net een paar oudere schippers leren kennen, die de wateren kenden, toen we te horen kregen dat we naar Strijen moesten voor een nieuwe poging. Op één fiets, want Doug kon niet fietsen. Onderweg passeerden we een lopende Duitse soldaat. Toen we langs hem heen zeilden, riep hij ‘Dass ist verboten’. Ik dacht dat het spel uit was en begon als een gek te fietsen. Doug zei dat de Duitser zijn geweer pakte en ik begon ontwijkende manoeuvres te maken. Op dat moment kwam een wagen met een vracht hooi ons tegemoet en konden we daar net op tijd achterkomen buiten het bereik van de schutter. We bereikten Strijen verder zonder incidenten”. De Strijense slager Piet Naaktgeboren vangt het duo op. In de slagerij zijn nog meer mensen die naar bevrijd gebied moeten worden gebracht. Maar de tocht naar bevrijd Nederland staat op losse schroeven. De gids, Piet Sanderse, is ziek, de groep is inmiddels wel erg groot geworden en het is volle maan. Maar men besluit toch te gaan omdat de Duitsers vanwege Kerstmis misschien wat minder oplettend zullen zijn. Dies Sanderse (broer van Piet) en zijn zwager Ad Swenne en Jurrie van der Linden (allen Strijenaren) gaan mee als gids. Olson: “We ontmoetten tien Nederlanders die het zat waren om onder de nazi’s te leven en die mij en Doug wel mee wilden nemen. Op 24 december ’44 om 04.00 uur vertrokken we in kleine groepjes. We zouden elkaar weer ontmoeten bij een dijk in het Hooge Zand aan het Hollandsch Diep. Daar lag de boot die ons over de rivier moest brengen naar geallieerd gebied. Net toen we als groep weer bij elkaar waren, werden we verrast door een peloton Duitse soldaten. Voordat ze ‘halt’ konden roepen waren we al op de vlucht geslagen. De Duitsers begonnen te schieten en we hoorden de kogels afketsen op het ijs en de bevroren grond. Terwijl we als gekken door het donker renden, werd de man die naast mij liep geraakt. Ik zag hem neergaan, maar ik bleef maar doorrennen. Op een gegeven moment hield het schieten op. De Duitsers leken de achtervolging te hebben gestaakt”. Even later snapt een Duitse wachtpost de groep vluchtelingen. Iedereen rent een andere kant op. Als de Duitsers het vuur openen, laat Olson zich op de grond vallen en denkt dat zijn laatste uur geslagen heeft. Hij hoort zijn medevluchters schreeuwen en de kogels fluiten over zijn hoofd. Maar Olson houdt zich met succes klein en probeert in de richting van de dijk te kruipen. Hij gooit zijn papieren, geld, souvenirs en foto’s weg en bereikt de dijk, haalt ook de andere kant maar loopt daar toch in de armen van vier Duitsers. Die voeren hem per vrachtauto af naar het Duitse hoofdkwartier in Strijen. Olson: “Ik dacht dat ik niet veel ouder zou worden. Ik werd geboeid, geblinddoekt en weer afgevoerd”. Olson komt terecht in een school in Oud-Beijerland. De keiharde ondervragingen beginnen. Olson: “Ze wilden weten hoe ik aan mijn kleren was gekomen en waar ik in Nederland had gelogeerd. Ze dreigden me dood te schieten als ik dat niet zou vertellen. Ik zet dat ze me dan maar dood moesten schieten”. De ondervragingen duren twee dagen. Olson gaat daarna op transport naar Rotterdam. Hij belandt uiteindelijk in een cel aan het Haagse Veer. Daar ziet hij ook zijn oude maatje Doug weer, die in een cel naast hem zit. Tien dagen en nachten leven ze letterlijk op water en brood. Olson: “Op een dag werd ik opgehaald, er was een gewapende wachtpost bij. Ik werd geblinddoekt en de trappen afgeleid naar een binnenplaats. Er werden orders geschreeuwd en wapens geladen. Dit moest het einde zijn. Dat wist ik zeker. Maar plotseling werd ik bij mijn armen gepakt en half gedragen en half gesleept de trap weer opgesjord en in mijn cel gesmeten. Ik kon toen alleen maar hysterisch schreeuwen”. De volgende dag dwingen de Duitsers Dugdale en Olson om op hun nuchtere maag naar Woerden te lopen. Daar belanden ze weer achter slot en grendel samen met een groep Engelse krijgsgevangenen. Via Utrecht, Amersfoort en Enschede komt Olson uiteindelijk terecht in een krijgsgevangenkamp in Duitsland, waar hij het einde van de oorlog meemaakt. Vijf mensen van de groep die betrokken was bij het treffen aan het Hollandsch diep overleven de oorlog niet. Een man is ter plekke doodgeschoten en vier man, onder wie de Strijenaren Dies Sanderse en Ad Swenne zijn op 7 januari 1945 in Bergschenhoek gefusilleerd. Olson overlijdt in 1949 als gevolg van een auto-ongeluk.


In de krant in zijn woonplaats werd melding gedaan van de onderscheiding voor Olson en van zijn begrafenis na het auto-ongeluk:

Missing Flier Wins DFC

Capt. Merrill S. Olson, son of Mrs. Bertha Olson, 404 Walnut St., who has been missing over Germany since last Sept. 11, has been awarded the Distinguished Flying Cross with oak leaf, and additional clusters for his Air Medal, his mother has been informed. The awards will be presented to his mother at an unannounced date. Pilot of a B-24, Capt. Olson was lead pilot in many bombardment missions over enemy-occupied continental Europe, his citation reads. His courage and coolness were praised.
He holds the Air Medal and three clusters for bomber combat operations and several aerial operational missions. Capt. Olson, a Southside High School graduate, entered the Air Corps in June, 1942, and went overseas in 1943.
OVER 300 ATTEND FUNERAL SERVICE FOR M. S. OLSON

Over 300 attended the funeral service held at Holy Trinity Lutheran Church yesterday afternoon for Merrill S. Olson of 103 E. 14th St. Elmira Heights. Since the fatal automobile accident last Tuesday, an estimated 500 persons had passed before the casket at the Ballard Funeral Home to pay final tribute to the war hero and well-liked Elmira Heights resident. Members of the 13th Photo Reconnaissance Squadron who acted as bears were Lts. John Cascio, Donald Wilcox, John Dublin, Durwood Hotter, Alexander Robertson and Francis Gizzi all of Elmira. Although the squadron was to fly in formation over Woodlawn Cemetery during the burial service, the flight was cancelled due to the weather. Members of the Clarence R. Oliver American Legion Post at the Heights conducted a memorial service Tuesday night at which the Legion charter was draped. Honorary bearers represented organizations in which Mr. Olson was prominent as follows: American Legion, Adrian H. Clark, K. Paluch, Francis Watkins and John ?; Rotary Club, Harry Sheppard, Joseph Spirawk, Richard Van ? and Harold Koenig; Chamber of Commerce, Ray Marks, Howard Griswold, John Hazlett and Richard Personius; from Bath, L. Gabrielli, Joseph Sliney, Dr. Frank Nicklaus and Dr. A. F. ?.

Foto ‘Betty Jane’ – 1944

Op 9 april 1944 werd van de Betty Jane (B-24 Liberator) deze foto gemaakt. Ook Olson staat op deze foto.

De filmer of fotograaf is 1st Lt. James F. Cotter – Bombardier, de mannen van links naar rechts:
S/Sgt. Michael J. Messano – Waist Gunner, S/Sgt. Herbert D. Riordan – Nose Turret Gunner, S/Sgt. Charles T. Adkisson – Waist Gunner, 1st Lt. Walter Kuzmiak – Navigator, Capt. Merril S. Olsen – Pilot, T/Sgt. Christopher Smith – Radio Operator en T/Sgt. Daniel Redd – Engineer/Top Turret Gunner.


Dick Snyder

Henk Nootenboom heeft ook nu nog steeds contact met een aantal piloten die destijds in de Hoeksche Waard zijn terechtgekomen. Bijvoorbeeld met Dick Snyder. Het is 18 september 1944. Het zware luchtafweer bij Dordrecht raakt de Thunderbolt van invallerpiloot Lt. Dick Snyder met een voltreffer. Maar Snyder krijgt zijn toestel veilig aan de grond. Hij komt neer op de Oud Bonaventurasedijk-Boendersweg net onder Maasdam. Landarbeiders zien deze manoeuvre. Ook dat de piloot daarna tevergeefs probeert zijn vliegtuig in brand te steken door zijn pistool leeg te schieten in de brandstoftank. Een van de getuigen is Frits Niemandsverdriet. Hij probeert Snyder te helpen, maar ook de Duitsers hebben de Thunderbolt zien neerkomen. Zij dwingen Frits de Amerikaan aan te geven. Nootenboom: “Sinds 1994 is er een warme vriendschap ontstaan tussen Dick en mij. Ik heb hem ook weer in contact gebracht met Frits Niemandsverdriet, maar die is in 1996 gestorven. Met behulp van zijn in Engeland woonachtige zoon Bruce hebben we geprobeerd om Dick nog een keer naar Europa te halen. Dick is wel naar Europa gekomen, maar niet voor ene plezierreisje, maar om zijn zoon te begraven, die plotseling was overleden.